Minister Kwist, een feuilleton (12)

“Nou, Ernest. Gefeliciteerd. Dat ging gemakkelijker dan gedacht.”
Minister Kwist had de top van zijn departement teruggeroepen van reces voor crisisberaad. Zij waren zijn belangrijkste adviseurs. Zij waren welbeschouwd zijn enige adviseurs. En zeker sinds hij hun een uitgebreid kerstdiner had aangeboden vlak voor het reces, kon hij geen kwaad meer bij hen doen. Niemand had ook maar een moment gemopperd toen hij belde met het verzoek om naar het ministerie te komen.

Vóór hen op tafel lag het weekblad. Het eerste nummer van het nieuwe jaar. Daarin stond een interview met de man die hij de oorlog had verklaard. Zijn partijgenoot en vice-premier Maxime Verhagen zei daarin dat hij geen ambitie had om bij de volgende verkiezingen lijsttrekker van het CDA te worden.
“Nu begint het natuurlijk nog maar pas,” zei Geelhoed, zijn secretaris-generaal. “Dat moet je wel beseffen. Nu gaat het erom het ontstane machtvacuüm op te vullen. Je zult omzichtig moeten opereren. Maar de eerste overwinning heb je binnen. Zo zie je maar hoe snel een duidelijke boodschap effect kan sorteren. Je hoeft maar tijdens een spreekbeurt in Emmen de toekomst van het CDA ter discussie te stellen en kort daarop in de media te bevestigen dat het jou te doen is om het menselijke gezicht van de partij, of Verhagen trekt zijn conclusies. Want hij is bij uitstek het onmenselijke gezicht van de partij.”
Er werd gelachen. Maar Ernest Kwist keek peinzend voor zich uit. Toen schudde hij zijn hoofd. “Er klopt iets niet,” zei hij.
“Wat klopt er niet?”
“Ik weet het niet.” Hij dacht na. “Dat wilde ik juist aan jullie vragen. Lees nog eens. Wat is de reden die hij geeft?”
“Dat zijn imago de partij in de weg staat.”
“En wat is zijn imago?”
“Dat van een achterbakse, doortrapte, niets onziende machtspoliticus.”
“Klopt dat imago?” vroeg Kwist.
“Het is misschien hooguit nogal een understatement.” Er werd hard gelachen.
Kwist lachte niet. “En als het klopt,” zei hij, “zou zo iemand dan zonder slag of stoot de macht uit handen geven omdat dat beter zou zijn voor de partij? Als hij dat werkelijk zou doen, zou dat betekenen dat zijn imago niet klopt. Maar dan had hij dat net zo goed kunnen zeggen. Dat was veel sterker overgekomen dan te zeggen dat zijn imago de partij in de weg staat.”
“Het is een kronkelredenering. Een slang die zichzelf in de staart bijt. Typisch Verhagen.”
“Precies,” zei Kwist. “Het is een schijnbeweging.”
“En wat wil hij daar dan mee bereiken?” vroeg Geelhoed.
Kwist dacht na. “De slang,” zei hij. “De sluwe, achterbakse slang. Het is een meesterzet. Op deze manier maakt hij zijn handen vrij. Tegelijkertijd is het een valstrik. Hij hoopt dat zijn tegenstanders nu naar voren zullen komen om zich kandidaat te stellen voor het lijsttrekkerschap. Die kan hij vervolgens moeiteloos tegen elkaar uitspelen. Onder zijn medestanders houdt hij de rijen gesloten. Zijn vriendjes, zoals Bleker en Brinkman, mogen het vuile werk voor hem opknappen. Hij zal boven de partijen lijken te staan. En ten slotte zal hij een bondgenoot op het schild hijsen. Als hij zichzelf tegen die tijd niet met een totaal opgepoetst imago meldt als redder van de verscheurde partij. We hebben te maken met een tegenstander van formaat, heren.”
“Dus?”
“Ik mag in geen geval in zijn val trappen. Ik moet mij voorlopig koest houden. Maar intussen kan het geen kwaad om een klein speldenprikje uit te delen. Om te laten merken dat ik er nog ben.”
“Waar denk je aan?”
“Een lovende politieke necrologie die hem ernstig in verlegenheid brengt. Die oude Wiegel is toch een vriend van jou, Geelhoed? Kan hij geen pijnlijk positief opiniestuk schrijven?”

Klik hier voor alle afleveringen van Minister Kwist, een feuilleton.

ilja leonard pfeijffer