14: De Hongerwinter

(Over)grootouders die hun (achter)kleinkinderen dezer dagen weer eens hebben verzekerd dat het buiten weliswaar koud is, maar dat de toestand in niets valt te vergelijken met de beruchte Hongerwinter van 1944-1945, hebben natuurlijk het grootste gelijk van de wereld. Toch vallen er wel een paar kanttekeningen bij te plaatsen.

Om te beginnen was de Hongerwinter geen ‘nationaal’ verschijnsel: het probleem deed zich (vooral omdat voedseltransporten over het dichtgevroren IJsselmeer niet meer mogelijk waren) alleen voor in het van zijn agrarische achterland geïsoleerde West-Nederland. In de drie ‘hongerprovincies’ Noord- en Zuid-Holland en Utrecht stierven toen circa 22.000 mensen, omgerekend minder dan één procent van de aldaar woonachtige bevolking. “Gegeven de extreme situatie waarin de 4,5 miljoen mensen in dit gebied kwamen te verkeren, moet dat aantal – hoe rampzalig de sterfgevallen op zich ook zijn geweest – als een meevaller worden beschouwd,” concludeerde de Rotterdamse hoogleraar Hein A.M. Klemann in zijn in 2002 verschenen standaardwerk Nederland 1938-1948 – Economie en samenleving in jaren van oorlog en bezetting. “De grote epidemie bleef uit, wat mogelijk een gevolg was van het feit dat het leeuwendeel van de bevolking tot de tweede helft van 1944 naar behoren was gevoed.”