Minister Kwist, een feuilleton (19)

Kwist was moe. Hij was meer dan moe. Zodra hij was aangekomen in het dorpje in de Italiaanse Alpen dat zijn vrouw had uitgekozen voor een korte wintersportvakantie, werd hij overvallen door een intense, verlammende vermoeidheid. “Dat komt door de frisse lucht,” had zijn vrouw gezegd. “Het zal je goed doen.” En een dag later kreeg hij een soort uitslag op zijn handpalmen en voetzolen, die werden getransformeerd tot miniatuur-maanlandschapjes met kleine blaasjes die veranderden in kratertjes zodra ze eenmaal waren opengebarsten. Het jeukte enorm. Het leek op een allergische reactie, maar hij kon niks bedenken wat hij anders had gedaan of gegeten dan normaal. “Het is de stress,” zei zijn vrouw. “Al die stress die je hebt opgebouwd in de laatste maanden komt er nu uit. Want nu mag het.” Hij had zo zijn twijfels over het wetenschappelijke gehalte van die diagnose, maar hij kon er zelf geen plausibelere verklaring tegenover zetten. Ze kocht een zalfje voor hem bij de apotheek in het dorp. Dat hielp een beetje, maar niet echt.

Er was weinig sneeuw. Maar dat deerde niet. Het was ook al laat in het seizoen. Zijn vrouw ging wandelen. Eén keer was hij met haar meegegaan, maar hij had er weinig plezier aan beleefd. Na tien minuten was hij al uitgeput. En zijn voeten deden pijn vanwege al die vervelende blaartjes op zijn voetzolen.
“Het geeft niet, poesje. Maak je maar geen zorgen. Ik vermaak me wel. Blijf jij maar lekker hier op het terras voor het hotel in de zon zitten. Je moet uitrusten. Je moet de tijd hebben om een beetje na te denken.”
En zo zat Kwist uren achtereen op zijn stoel voor zijn hotel in de Italiaanse Alpen een beetje voor zich uit te staren. En hoewel hij inderdaad alle tijd had om na te denken, kwam het daar niet echt van. Zelfs daarvoor was hij te moe. Alleen de gedachte aan nadenken al vermoeide hem. Hij voelde zich als een vergeelde aristocraat uit een vervlogen eeuw die was achtergelaten en vergeten in een inmiddels lang geleden gesloten sanatorium. Hij vroeg zich af of het mogelijk was om te sterven aan vermoeidheid en bedacht zich dat dat zoiets moest zijn als in slaap vallen.
Hij schrok wakker omdat zijn telefoon ging. Het was José, zijn secretaresse. Ze vroeg hem waar hij was. Hij besefte dat hij zich niet eens had afgemeld op zijn ministerie. Hij verontschuldigde zich. Hij zei dat hij ziek was. Ze vroeg hem waar hij was. Hij kon zich de naam van het dorpje niet herinneren. “Ergens in Italië,” zei hij. “In de bergen.” “Noem je dat ziek?” vroeg ze. “En met wie ben je daar dan? Met je vrouw?” De verbinding werd verbroken. José was boos. Maar zelfs dat drong nauwelijks tot hem door en voor zover het tot hem doordrong, kon het hem niet schelen.
Een paar dagen later kocht hij een Nederlandse krant. Het nieuws werd beheerst door dat jongetje van PowNed dat het leuk vond om onbeschofte vragen te stellen aan ministers. Kwist werd meestal door hem genegeerd. Eén keer had hij hem gevraagd of hij nog had geneukt. “Ja, vannacht in mijn pied-à-terre met mijn secretaresse,” had Kwist geantwoord. Het had de uitzending niet gehaald. Verder las hij dat het Centraal Planbureau inmiddels was gekomen met de tegenvallende prognoses waarop iedereen al zo lang zat te wachten. En ze vielen precies zo tegen als iedereen had verwacht. De Tussenformatie kon beginnen. Het leek nieuws uit een ver buitenland.
Toen viel zijn oog op een klein berichtje: “Minister meldt zich ziek om op wintersport te gaan.” Kreunend sloot hij zijn ogen.

Klik hier voor alle afleveringen van Minister Kwist, een feuilleton.

ilja leonard pfeijffer