Somberheid is een luxe-artikel

Sommige contacten zijn wonderlijk. Dezer dagen ontmoette ik fotograaf en filmer Paul de Nooijer weer eens. Het was ons derde treffen. De eerste twee maal, lang geleden, betrof het een interview, nu speelde er een heel andere reden.

Eerder beschreef ik al eens hoe ik per toeval een tijdje kwam te wonen in het statige pand waar Paul de Nooijer vroeger woonde en werkte en dat hij vastlegde op een impressionistische foto die ik ooit van hem cadeau kreeg. Toen ik in verband met dat stukje zijn naam googelde, stuitte ik op een interview waaruit bleek dat we nog iets anders gemeen hadden: sluimerende prostaatkanker, koest gehouden door medicamenten.

Verbluft mailde ik hem over deze tweede samenloop van omstandigheden. Hij mailde terug: ‘Wat denk je, tijd voor een ontmoeting bij een kop koffie?’ En zo zitten we op een warme meidag op het terras van zijn verbouwde hoeve in Zeeland.

We wisselen medische ervaringen uit en vergelijken onze processen. Beiden zeilden we door woelige baren en dobberen we nu in rustiger vaarwater, nogal vermoeid en hopend dat nieuwe stormen lang wegblijven. Zijn animo heeft er niet onder geleden, het mijne evenmin. Zo’n carcinoom, bespiegelen we, zou je neerslachtig kunnen maken, maar als het er in het leven op aankomt, heb je geen tijd voor de blues en raap je al je vitaliteit bij elkaar. Somberheid is kennelijk een luxeartikel.

Het is heel plezierig, zo’n opgewekt gesprek met een lotgenoot. Meestal pakken contacten tussen lotgenoten anders uit. Ik heb een afkeer gekregen van sites waar patiënten hun tranen te drogen hangen en zich wentelen in hun misère. Of neem het speciale zwemclubje waar ik eens een proefuur meedraaide. Daar boden ze al in de kleedkamer tegen elkaar op wie er het naarst aan toe was. Eens maar nooit meer.

Nee, dan liever dit terrasgesprek in Zeeland. Ik vraag Paul de Nooijer nog wat hij dacht van de kop boven het interview dat ik gelezen had: Pauls laatste kunstje, een verwijzing naar een film in wording. Hij kan er om grinniken. “Wat mij betreft, komt er daarna nóg een en nóg een.”

Matt Dings