Waarom je geen Rocco, Ramses of Tiny gaat heten

Waarom je geen Rocco, Ramses of Tiny gaat heten

Het is zowat het grootste hoofdbreken van de hele zwangerschap. Maar er is geen ontkomen aan: je móet een naam.

Roderick, Wesley, Tibaut en Jean-Jaques kunnen we vast uitsluiten, evenals alle meisjesnamen. Maar verder ligt er een wereld aan Luca’s, Jonassen, Alexanders en Pietertjes voor ons open. Een babynaam: hoe moeilijk kan dat zijn, zul je me over een jaar of vijftien vast vragen. Maar geloof me, er is weinig zo ingewikkeld als het kiezen van een naam voor een nog onbekend maar waarschijnlijk allerbelangrijkst persoon, die daar zijn hele leven mee zal moeten doen.

Aardappel
Waarom de hoofdbrekens? Omdat er hoe langer je erover nadenkt, hoe meer bij komt waar je als aanstaande ouder rekening mee moet houden. Of in ieder geval: dénkt te moeten houden. Allereerst is er de uitspraak: je vader is een Amsterdammer, je moeder is opgegroeid in een dorp dat men in carnavalstijd omdoopt tot ‘Kakkersgat’. Allebei hebben wij daar een accent aan overgehouden. Het komt erop neer dat als we je Mark noemen, je eigenlijk twee namen hebt; een Amsterdamse ‘Marrúk’ klinkt nu eenmaal heel anders dan een ‘Marrrrrk’ waarbij de aardappel een tijdje blijft hangen.

Natuurlijk: het zal vaker voorkomen dat iemand je aanspreekt op een iets andere wijze dan je gewend bent, maar het lijkt me fijn als je van je ouders in ieder geval consensus kan verwachten als het op je adressering aankomt. Nog een dingetje wat daarbij speelt: de kans is groot dat je in je leven voor korte of langere tijd in het buitenland gaat wonen. Uitspraak in het Engels moet dus in ieder geval mogelijk zijn. Het zou leuk zijn als ik een plaagfestijn zoals dat SP’er Tiny Kox ten deel viel, met een beetje anticiperen kan voorkomen.

Dikke rode kater
Dan is er het punt van de associatie. Je vader vond Tim leuk; maar die naam kan niet, want je moeder kende vroeger een stomme Tim. Je moeder vond Ramses leuk, maar die naam kan niet want voor je vaders geestesoog verschijnt bij die naam een dikke rode kater in plaats van een lief klein jongetje.

Verder kunnen namen van vrienden en collega’s niet (wat jammer is, want ik vind Niek, Roelof, Oscar en Lex erg leuk) want dan lijkt het of je daarnaar vernoemd bent, of dat er een stiekeme bewondering achter schuilgaat. Namen van beroemdheden kunnen misschien wel, maar dan moeten ze wel aan bepaalde eisen voldoen. Geert en Rocco (ik durf bij die laatste zelfs geen link te plaatsen) vallen alleen om die reden al af.

Tien Sems
Vervolgens voorkom ik graag dat je een leven lang, bij elk clubje of klasje waar je je aanmeldt, geconfronteerd wordt met naamgenoten. Laatst hoorde ik bijvoorbeeld over pasgeborenen met de namen Sem en Bram. Allebei erg charmant en ik zou ze zeker op mijn long list zetten, ware het niet dat ze op plek 3 en 4 staan van de namenlijst van de Sociale Verzekeringsbank, die alle aangegeven kindertjes registreert.

De wetenschap dat er alleen al in 2011 nog 853 Sems en 634 Brams geboren zijn, maakt dat ik deze namen liever mijd. Elke naam die ook maar enigszins bevalt, haal ik dus eerst grondig door de Nederlandse voornamenbank, waar precies valt te zien hoeveel ervan bij zijn gekomen in welk jaar en met welke spelling. (Hartelijk dank, Meertens Instituut!)

Woet, Spijker of Mus
Tot slot de rare namen-fase waar we in lijken te zitten. ‘Alles kan’ is op het moment het adagium en daarom is een naam als Vlinder, Storm of Pax helemaal niet meer vreemd. Hoewel er ook namen tussen zitten die mij aanspreken, vraag ik me toch echt af of je later in je werk als, noem ‘s wat: rechter of politieagent, wel serieus genomen wordt met een naam als Puk.

Maar ach, zoals een collega laatst al opmerkte: dat is nu misschien nog een beetje raar maar als jij over veertig jaar je toga aantrekt, zal niemand meer vreemd opkijken. Dan hebben zelfs ministers immers namen als India, Woet en Spijker. Dus waar maak ik me eigenlijk druk over: een Pukje valt dan helemaal niet meer op.

————————

Volg HP/De Tijd ook op Twitter!


Reacties zijn gesloten.