Zo’n motard wil je gewoon keihard op z’n lip slaan

motards (foto anp)

Als ik ergens gek van word, is het wel van de motoren die continu als horzels rondom het peloton zoemen. Ik weet ook wel dat ze nodig zijn. Dat ze er voor onze veiligheid zijn, voor het afsluiten van zijwegen en het tegenhouden van verkeer, om foto’s van ons te maken, ons te filmen, of om aan te geven hoe groot het gat met een eventuele kopgroep is.

Maar ze willen er steeds langs, langs het peloton dat dicht opeengepakt heel de weg bezet. Dus mishandelen de motards hun claxon tot onze oren ervan tuten, laten ze hun motoren grommen tot we er horendol van worden en blazen ze met hun uitlaten smerige gassen in ons gezicht.

Want reken maar niet dat wij ruimte willen maken voor de motoren die de groep willen passeren. De ervaring leert: als je dat doet, raak je je plekje op de weg kwijt. Er zijn namelijk altijd rensters die profiteren van jouw beleefdheid en snel voorbij schieten, in de ruimte die jij voor de motor maakt. Na verloop van tijd heb je echt geen zin meer om altijd de gekke henkie te zijn die netjes aan de kant gaat. Dus zijn de motoren in continu strijd met de rensters verwikkeld. Ze proberen ons, steeds geagiteerder, aan de kant te dirigeren. En wij proberen hen zoveel mogelijk te negeren.

Ook al hoor ik bij de groep die andere rensters na verloop van tijd wanhopig toeroept nu toch ein-de-lijk eens aan de kant te gaan, het probleem is: aan motorgebrul en getoeter wen je vanzelf. Ik ook. Je krijgt er een soort dove vlek voor. Uiteindelijk hinder je de motoren niet eens bewust; je merkt gewoon niet meer dat ze er zijn.

Daar had een van de motards afgelopen week in Frankrijk wat op gevonden. Hij liet zijn motor niet brullen. Hij toeterde niet. Hij floot. Een doordringend, viertonig wijsje, dat je onmogelijk kon negeren. De eerste keer dat ik het hoorde, keek ik verward om me heen. Wie floot daar zo? De motard schoot langs, floot nog een keer, en was een paar seconden later het peloton voorbij.

De tweede keer dat ik het hoorde, stuurde ik mijn fiets automatisch een beetje aan de kant. Ik zag mijn collega’s precies hetzelfde doen. Hee, dacht ik, dit werkt! Dit zijn we niet gewend, hier zijn we niet op geconditioneerd, dus we luisteren! Eindelijk!

De derde keer dat de viertoon mijn oor binnendrong, zat ik net enorm af te zien bergop. Ik was niet de enige en kennelijk leidde het lijden bij sommige meiden tot tijdelijke doofheid. De motard bleef halverwege het peloton hangen, intussen zijn fluitje herhalend. Als je afziet, kun je weinig hebben. Dus het duurde niet lang voor ik de motard keihard op z’n lip wilde slaan. Nog een minuut later wenste ik dat ik een pistool had. Niet om de motard te vermoorden, maar om mezelf door mijn kop te schieten, om dat afschuwelijke gefluit maar niet meer te hoeven horen.

De vierde keer dat ik de motard en zijn deuntje hoorde, was tijdens de lunch tussen de ochtendtijdrit en de middagetappe. Ik hoorde de viertoon ver voordat ik de motard zag. Hij stond een stukje verderop zijn bord te vullen. En het wonder geschiedde: de rensters die zich voor hem stonden te verdringen voor de bak met bananen keken om, verdwenen zo snel mogelijk uit zijn buurt en de motard had alle ruimte had om de allerlekkerste banaan voor zichzelf uit te zoeken.


Reacties zijn gesloten.