Dit zijn de vier grote uitdagingen in het openbaar vervoer

Wie wel eens met de trein reist, weet het ongetwijfeld: het openbaar vervoer is een psychologisch slagveld. Een plek vol ongeschreven regels, psychologische tactieken en dierlijk territoriumgedrag. De afgelopen drie maanden reisde ik dagelijks van Nijmegen naar Amsterdam en ondervond ik de vier grootste uitdagingen van het openbaar vervoer aan den lijve.

Ook al doen we zo hard ons best tolerant en sociaal te zijn in het openbaar vervoer, een likje egoïsme en een vleugje ongeduld zijn haast niet te verbergen. Elke werkdag doen meer dan een half miljoen treinreizigers daarom hun best de vreemden om hen heen zo subtiel mogelijk te ontwijken. Dat is een hele uitdaging.

1. Hoe kom ik vooraan in de rij te staan?
De heersende vraag is af te lezen van de verkleumde gezichten: waar zullen straks de treindeuren openen? Sta ik op de goede plek? Weinigen van ons wachten dat antwoord met geduld af, hoe dichter de trein nadert hoe meer benen in beweging komen. We lopen mee in de richting van de trein. De kans op een goede plek in de rij vergroten we daar vaak niet eens mee. Waarom doen we het dan?

Lara Harmans uit Amsterdam stelde de vraag ooit in de rubriek next question van nrc.next, waarop hoogleraar Algemene psychologie aan de Universiteit Leiden Bernhard Hommel antwoordde: “We zijn geneigd te herhalen wat we zien. Een verpleegkundige die veel werkt met oudere mensen, gaat zelf ook langzaam lopen. Als iemand op het Leidseplein naar boven kijkt, zullen binnen een paar seconden voorbijgangers ook naar boven kijken. Dat geldt voor alle primaten.” Mensen die meelopen met de trein zijn onbewust aan het imiteren wat ze zien, dat kan zowel de naderende trein zijn als voorbijlopende reizigers.

De deuren slaan open. Terwijl de mierenhoop naar binnen krioelt, speelt de innerlijke strijd op: wacht ik beleefd achteraan, of strijd ik om binnen te komen? Want wie als eerst binnen is, heeft een voordeel bij de volgende en misschien wel grootste uitdaging van het openbaar vervoer.

Wie is er als eerste binnen?

2. Hoe zorg ik dat ik niet naast iemand kom te zitten?
We mogen dan zulke sociale dieren zijn, de neiging om in het openbaar vervoer een plaatsje voor onszelf te bemachtigen valt haast niet te onderdrukken. De grootste ongeschreven regel in de trein is dan ook: je gaat niet naast iemand zitten als er ergens plek vrij is.

Van nature zouden we nooit zo dicht naast een vreemde gaan zitten

Dat heeft te maken met onze ’personal space’. U kent ‘m wel, de denkbeeldige cirkel om ons heen waarbinnen niet zomaar iedereen welkom is. Vreemden en mensen die we niet kennen houden we op minimaal één meter afstand. Tussen de meter en de halve meter zitten vrienden en bekenden en binnen een halve meter alleen geliefden, familie en mensen met wie we close zijn.

En OV-genoten, dus.

Vandaar dat we zo hard ons best doen om ze te ontwijken, waardoor de treincoupé zich eerst opvult met eenlingen. De Amerikaanse sociologe Esther Kim van Yale University deed onderzoek naar ons territoriumgedrag in het openbaar vervoer. Ze legde duizenden kilometers af in de bus om te onderzoeken wat we allemaal doen om elkaar te vermijden. Ze merkte dat bij drukte, als de kans op een ruime plek in een verlaten vierzits verkeken is en we niet anders kunnen dan neerploffen in iemands personal space, ons doel verandert:

Hoe zorg ik dat ik naast een zo normaal mogelijk persoon kom te zitten?

”Eén reiziger vertelde me dat het belangrijkste doel is om de rit door te komen en dat ik dikke mensen moest vermijden, want die zweten meer en ruik je dus waarschijnlijk ook sterker,” aldus Kim.

We houden de stoel naast ons op allerlei manieren bezet om vreemden te weren

3. Hoe zorg ik dat er niemand naast mij komt te zitten?
Als we een plekje voor onszelf weten te bemachtigen, komen we al snel voor de volgende uitdaging te staan: dat plekje behouden. En tegelijkertijd beleefd te blijven. Dus zetten we psychologische tactieken in om nieuwe reizigers subtiel te weren van de stoel naast ons.

Oogcontact wordt met grof geweld vermeden (kies niet mij, kies niet mij), gebiologeerd kijken reizigers naar het betonnen bankje op het perron. Stoelen zijn bezaaid met grote tassen en dikke winterjassen onder het mom van ‘tja, je moet ze toch ergens laten’, of zelfs met papieren, pennen, kranten en laptops onder het mom van ‘wat ben ik toch druk bezig’. Goede acteurs pretenderen dat ze slapen (liefst met oordoppen in) als iemand vraagt of ze die grote winterjas met bontkraag weg willen halen of hun benen aan de kant willen doen.

Ook verstandig en vaak toegepast: aan het gangpad zitten. Als je eerst een ongemakkelijke klimtocht over iemands benen moet ondernemen of een smeekbede moet houden voordat je kunt zitten, kijk je immers liever een stoel verder. Desnoods naast die dikke meneer.

4. Hoe maak ik mezelf onzichtbaar?
“Hoi, ik bel je zo terug. Ja. Ik zit in de trein. Nee. Doei,” fluistert iemand met zijn hoofd verscholen achter zijn stoel. In het openbaar vervoer willen we niet opvallen, niemand tot last zijn en het liefst onzichtbaar blijven. We ritselen zo zacht mogelijk met de krant, proberen niet te smakken met ons brood en laten de nagellakremover thuis.“Ssssshht,” sissen ouders gestresst naar hun kinderen die met luid volume verslag doen van die gekke besnorde man op het perron.

Maar uitzonderingen op de regel zijn er altijd, ook in de trein. Mensen die zich van al die ongeschreven regels en psychologische tactieken niets aantrekken. De man die rustig wacht tot iedereen is ingestapt, de vrouw die een gezellig gesprekje aanknoopt met de jongen naast haar of het meisje dat al ruimte maakt als er nog geen mensen zoekend ronddwalen. Maar ook de vrouw die haar kinderen verschoont op de stoel naast haar, de zwerver met natte hond die naar bier stinkt, het meisje dat uitgebreid haar nagels lakt of de man die compleet vergeet dat hij in een openbare ruimte zit op het moment dat hij zijn telefoon opneemt. Met het volume van een sportverslaggever stelt hij de hele treincoupé op de hoogte van het wel en wee van zijn verbroken relatie en de hond:

“Nee, ik heb haar niet meer nodig. Ach, je went er aan…”
“Ja, en dan doe je op gegeven moment niks meer goed, het enige wat je dan nog kan doen is je f*cking hond verkopen!”
“Ik bepaal zelf wel wat zielig is voor hem, dat hoeft zij niet te bepalen. Zij heeft die Dog Whisperer gezien en dan denkt ze dat…”
“Ja! De hond staat onder aan de ladder van de rangorde, maar dat snapt zij niet.”
“Ik ga me niet alles laten afpakken, wij kochten dat ding met z’n tweeën en het heeft heel veel moeite gekost dat ding op te voelden. Dan kunnen anderen wel zeggen: het is gewoon een hond maar…”
“Nou, tik maar eens in: Amerikaanse bulldog. Tik maar gewoon in. Zeer tolerant naar kinderen. Ja tik maar in, gewoon op je telefoon ofzo.”

Met telefoons, muziek en kranten sluiten we ons af.

Gelukkig horen wij medereizigers dit allemaal niet. Er is zojuist iemand binnengedrongen in onze personal space en dat gaat in tegen onze natuur, dus wij hebben ons mentaal afgesloten. We staren uit het raam, verdiepen ons in een boek, gaan op in onze smartphone of concentreren ons op de muziek die uit onze oordoppen schalt. Dan lijkt het net of we alleen zijn.

Welke uitdagingen ervaart u in het openbaar vervoer? Laat het ons hier onder weten in een reactie. 

Meer leuke content? Like ons op Facebook