Ziektebeeld: geen mening meer over het dopingprobleem

‘Goedemorgen, meneer Heinen.’ 

‘Dag dokter.’

‘Hoe kan ik u helpen?’

‘Ik zit met een probleem.’

‘Daar zijn we voor. Trekt u eerst maar eens rustig uw jas uit. Het is dertig graden.’

‘Nee, ik hou mijn jas liever aan. Ik moet ieder moment weg kunnen.’

‘U oogt wat nerveus.’

‘Ben ik ook.’

‘Is het het weer?’

‘Wat?’

‘Maakt het weer u nerveus?’

‘Niet meer dan anders.’

‘Zou het niet eens tijd worden om te zeggen wat er is? Wat er aan scheelt?’

‘OK, komt ie. Bent u er klaar voor?’

‘Ik wel. Meneer Heinen, bedenk goed: ik hoor de hele dag de gekste dingen. Een huisarts is wel iets gewend.’

‘Dit heeft u nog nooit gehoord.’

‘Dat kan, maar zelfs als ik het nog nooit gehoord heb, moet u het zeggen.’

‘Zodat u het vervolgens kunt doorvertellen. In de kroeg, op verjaardagen, vanavond aan tafel. “Wat ik vandaag had… Je kent ‘m misschien wel, die jongen van die schijtlollige stukjes”. Nee, dank u feestelijk.’

‘Ik heb mijn eed, meneer Heinen. Hippocrates, u weet wel.’

‘Geldt die eed voor alles wat ik nu zeg?’

‘Inderdaad.’

‘Dus als ik zeg dat ik het sinds gisteren niet meer kan, dan is dat alleen voor uw oren bestemd?’

‘U kunt “het” niet meer?’

‘Met geen mogelijkheid, dokter. Alles geprobeerd, mijn vriendin heeft geholpen, ik heb mijn moeder gebeld… Niets hielp.’

‘En wat is “het” in dezen?’

‘Dokter, ik kan geen mening meer vormen over het dopingprobleem in het wielrennen.’

‘Hoe bedoelt u? Iedereen heeft een mening over het dopingprobleem in het wielrennen.’

‘Ik niet. Het lukt me niet meer. Waar vroeger een mening over het dopingprobleem in het wielrennen zat, zit nu een soort zwart gat. En waar ik vroeger al een zwart gat had, zit nu een soort leegte.’

‘En u schrijft er nog wel over. Hele stukken vol, vol met meningen en visies en opgewonden, uitgesproken en genuanceerde zinnen. Hoe kan dat nou? Heeft u iets geks gegeten?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Gedronken?’

‘Nee.’

‘Gebruikt u drugs?’

‘Bedoelt u doping?’

‘Recreatieve doping?’

‘Nee.’

‘Wat vindt u van mensen die recreatieve doping gebruiken.’

‘Daar heb ik geen mening over.’

‘Verdikkie. Maar hebt u het rapport-Sorgdrager dan niet gelezen? Ze gebruikten allemaal, allemaal! Tot tenminste 2008? Dat rapport heet Meedoen of Stoppen? U voelt toch wel een mening opborrelen als u dat allemaal leest?’

‘Nee.’

‘En die Argos-documentaire van gisteravond? Journalisten die worden bedreigd, mensen die van pedofilie worden beschuldigd, belastingontduiking, witwassing, bedrog, leugens, valsspelerij, de hele bliksemse bende, en dat allemaal onder de ogen van onze beste journalisten en onze scherpste verslaggevers. Dat moet toch wel iets bij u losmaken?!’

‘Nah…’

‘En Michael Boogerd, die het lachwekkend vindt?’

‘Niks.’

‘De geschokte reactie van het NOC*NSF dan? Hypocriet toch zeker? Of op z’n minst dom?’

‘Ik voel dat niet zo.’

‘Maar zie je dan niet de discrepantie tussen de KNWU-enquête, waarbij 200 mensen allemaal “nee” antwoordden toen ze gevraagd werd of ze wel eens iets met doping te maken hadden gehad?’

‘Ach…’

‘Weet je wel dat Sorgdrager beweert dat er dan nu misschien minder gebruikt wordt, maar dat het hele peloton bij het eerste het beste onopspoorbare middeltje weer aan de dope gaat, omdat de cultuur nu eenmaal zo is?’

‘(…)’

‘Nou?’

‘Doet me niks, eigenlijk.’

‘Dit is serieus.’

‘Denkt u? Is het ernstig? Besmettelijk? Dodelijk?!’

‘We kunnen niets uitsluiten. Maar maakt u zich niet onnodig ongerust. Ik zal u iets voorschrijven.’

‘Wat?’

‘EPO-kuurtje, beetje cortisonen, wat testosteronpleisters en om de drie dagen een bloedtransfusietje.’

‘Uitstekend.’