De gevaren van een pretpark

Voor veel kinderen is het een droom die uitkomt: het bezoek aan een pretpark. In een pretpark vind je alles wat je thuis niet vindt. In een pretpark staat over het algemeen een wildwaterbaan, of een variatie daarop, een paar toestellen die over de kop kunnen, het ruikt er naar friet en hamburgers, en om de dag nooit meer te vergeten kun je voor veel geld goedkope souvenirs aanschaffen.

Deze samenvatting is te kort door de bocht, dat weet ik, achter iedere attractie zit vaak een diep uitgewerkte filosofie, gebaseerd op een oude legende of wijsheid. Zeker als je bijvoorbeeld naar De Efteling gaat. Daar word je eerst een kwartier doorgezaagd over het verhaal van de bokkenrijders, voordat je in het draaiende huis Villa Volta mag.

Meneer Bobbejaan
Als kind was ik nooit echt gecharmeerd van pretparken. Zo herinner ik mij Bobbejaanland, in België. Van mijn oma had ik Belgisch geld meegekregen, dat in de souvenirshop niet meer geldig bleek te zijn. Ik was aangewezen op de barmhartigheid van mijn klasgenoten, die niet barmhartig bleken te zijn. Ze hadden niet genoeg op zak om mij iets uit te lenen. Tot overmaat van ramp stootte ik in het winkeltje ook nog drie porseleinen beelden van Meneer Bobbejaan, de eigenaar van het park die zich iedere dag in cowboykleren stak, om.

Ik vluchtte de winkel uit voordat de kassamedewerker me in mijn kraag kon grijpen. De rest van de dag zat ik in attracties die zo hard gingen dat ik dacht dat mijn hoofd er op een bepaald moment afgerukt zou worden. Ook toen ik ouder werd, kon ik het kinderlijke plezier niet ervaren. Zo werden mijn broertjes en zusje lachend vastgelegd tijdens het fotomoment in de Vogelrock in de Efteling, ik verbeet achteraan in het karretje bijna huilend mijn angst.

De gevaren
Bobbejaanland en De Efteling zijn de enige twee pretparken die ik ooit bezocht heb, en niet omdat het bezoek mijn idee was. Voor mijn kinderen later ga ik verzwijgen dat deze oorden bestaan. Als ze mij tegenwerpen dat hun klasgenoten er geweest zijn, zal ik hun klasgenoten voor fantasten uitmaken. En anders zal ik ze op het hart drukken dat niemand een pretpark verlaat zonder een voet te verliezen, of in het gezicht geraakt te worden door een afgebroken wiek. Dat ‘pretpark’ een naargeestige term is, verzonnen voor sadomasochisten, de enigen die in zo’n park plezier ervaren, omdat de pret uit de foltering gehaald wordt. Ze zullen mijn pretparkverbod me waarschijnlijk nooit vergeven, het is een groot offer. Maar soms moet men, voor ieders bestwil, grote offers brengen.