Carmiggelt ontmoet Gijp en Ronaldo

In een lang, donker Utrechts café zat ik, helemaal aan het eind van de tapkast. Een in het ambacht vergrijsde kastelein boende zwijgend de bar, waaraan niets meer te boenen viel. Helemaal aan de andere kant van de bar, vlak bij de deur, zat een man met merkwaardig, gepommadeerd haar, naast een half gevuld kelkje, het hoofd gebogen, de kin op de borst gezonken.

Ook geen vroege babbelaar. Ik was even binnengegaan om een vage neerslachtigheid, waarvoor ik geen tastbare reden wist, met een glas AA Drink te cureren, en ik had mijn tweede bijna leeg.
Het was mijn verjaardag – ik was nu officieel een eeuw in leven. Het voelde langer.
Buiten scheen een welwillend zonnetje, binnen hing een grijze mist over ons gemoed.

Kroegje, hoor. Lekker man, ja toch?
Aan de andere kant van het venster trekt de dag zich moeizaam op gang, als een oude baas op een fiets. Daar bevindt zich de efficiënte wereld, vol mensen die ergens wezen moeten. En mijn gedachten dobberen als papieren scheepjes op de oceaan, in alle windrichtingen, tot ik ze niet langer onderscheiden kan.

“Nog een,” bestel ik, wijs op mijn uitgedronken glas en maak krassen op de gave stilte.
De man met het gepommadeerde haar siddert even.
De kastelein tapt uit een AA Drink-tank mijn glas vol. Zwijgend.
Ik knik als dank, om de rust geen verdere schade toe te brengen. De atmosfeer herstelt zich. De geluiden van de wereld dringen gesmoord door, en de klok tikt. Maar dat mag.
Dan gaat de deur open en treedt een kale, blakende vent binnen. Hij verklaart: “Kroegje, hoor. Lekker man, ja toch?”

Deze man komt onze stilte vernietigen, dat zie je met een oogopslag. Eerst monstert hij mij, vervolgens de man bij de deur. Vermoedelijk controleert hij onze gelaten op luisterbereidheid. Dan gaat hij in het midden van het café zitten, strategisch precies even ver van ons beiden verwijderd.
“Een uitsmijtertje,” zegt hij. “Met ei. En een glas melk. Van een koe.”
Mijn humeur is nog wat wankel voor zoveel opgewektheid. Op het vermoeide gezicht van de kastelein verschijnt iets wat voor een grijns moet doorgaan. De grijns van de terminale patiënt die vertelt over financiële tegenvallers die hij niet meer zal hoeven meemaken.

Op het bankie
Plichtmatig klotst de kastelein de melk uit het pak in een muf uitziende mok. Hij zet de bestelling voor de man neer en sloft daarna naar achteren, waar zijn vrouw boven het fornuis haar dagen zit af te tellen.
“Wedstrijdjes nog gezien dit weekend?” zegt de kale man opgeruimd, tegen niemand in het bijzonder. “Hele weekend op het bankie gelegen, jongen, ja hoor. Het slaat natuurlijk he-le-maal nergens op, die hele Eredivisie niet, maar je kijkt toch…”
Hij heeft een harde stem, die er de sfeer goed van langs geeft. De kastelein komt teruggesloft uit de keuken.
“Voetballen gezien?” vraagt de man nog eens.
Traag laat de barkeeper zijn hoofd van links naar rechts bewegen, alsof hij tegelijk denkt aan iets volkomen anders.

De kale man probeert het nu nog eens bij mij. “Is toch lekker man, wedstrijdjes? Barcelona, Juventus, Arsenal – en dan tussendoor PSV-RKC. Als je dat ziet, dan weet je dus niet wat je ziet. Dan denk je: waar zijn die in godsnaam mee bezig?”
Ik antwoord dat sport niet tot mijn interessegebieden behoort. Helaas, voeg ik er voor de zekerheid nog aan toe.
Nu schuift de kale zijn stoel naar achteren en loopt met doelgerichte passen op de gepommadeerde zwijger aan de andere zijde toe.
Met een in het algemeen voor fruitautomaten en vastgelopen frisdrankblikjesmachines gereserveerde dreun slaat de kale de gepommadeerde op de schouders.
“En jij, ouwe reus? Wedstrijdjes gezien?”
De ander knikt.
“En,” vraagt de kale hoopvol.
De man bij de deur brengt eerst een halve minuut stilte uit. Dan slaakt hij een diepe zucht, alsof binnen in hem de laatste reparaties aan de machinerie van de spraak worden voltooid. Dan zegt hij, de kin nog steeds op de borst, in accentloos Nederlands: “Ik ben Cristiano Ronaldo.”

Even staat de kale erbij als een ijssculptuur, daarna kun je zien hoe zijn bravoure door de opnieuw ingetreden stilte wordt platgetrapt. Dan schuifelt hij richting de deur.
“Je vergeet je uitsmijter,” mompelt de kastelein, maar de kale is al verdwenen.
Het achter hem dichtvallen van de deur is het laatste geluid.
Wanneer de man met het gepommadeerde haar zonder te spreken zijn kelkje heeft laten bijvullen, steekt hij het, heel even, in de lucht. Ik antwoord met een knikje.
En dan keert de totale stilte, eerst nog wat schuchter, uiteindelijk toch terug.