Op bezoek bij Ton Ojers

Ik lees een verhaal van Frank Heinen op de website van HP/De Tijd. Hij schrijft over Ton Ojers. Ton Ojers! De man voor wie ik ooit van Sirjansland naar de Randstad verhuisde. Ik was hem al helemaal vergeten. Ton Ojers en mijn eerste grote liefde kwamen gelijk in mijn leven. Ik werkte destijds in een restaurant in Zierikzee. Daar werkte ook een jongen, Stefan, die uit Alkmaar kwam. We raakten bevriend, ik ging een keer mee naar een familiefeest, ontmoette daar de zus van Stefan. Zus en ik verliefd. Ik ging zo vaak mogelijk naar Alkmaar, om mijn geliefde te zien. Onze schema’s waren lastig samen te voegen. In de horeca werk je op onregelmatige tijden.

Ik weet niet waarom ik het bovenstaande geschreven heb. Behalve de eerste drie zinnen is er niets van waar. Allemaal verzonnen. Ik weet niet waarom ik dat doe. Soms gaat de werkelijkheid met me op de loop en begin ik te liegen. Sorry. Ik weet niet hoe dat komt, ik vermoed dat mijn oorlogsverleden er iets mee te maken heeft. Als er iemand verplicht is altijd eerlijk te zijn, is het een schrijver wel.

Nadat ik het verhaal van Frank Heinen heb gelezen, mail ik hem. Ik vraag hem of hij weet dat Ton Ojers een sportwinkel heeft, dat die echt bestaat en dat we er gewoon heen kunnen gaan. Het duurt een tijdje voordat Frank Heinen antwoordt, hij moet natuurlijk nog een column schrijven. Dan antwoordt Frank dat het geweldig is, dat Ton een sportwinkel heeft. We fantaseren per mail hoe het er in de winkel van Ton aan toegaat. We hebben veel plezier. Ik mail: Waarom gaan we er niet echt heen? Ze zijn woensdag geopend, alleen tussen 12:30 en 13:00 lunchen ze. Frank mailt: Laten we dat doen. Laten we er woensdagmiddag heen gaan. Ik kan niet te lang blijven, ik moet nog een column schrijven.

We spreken af op station Almere-Buiten. Vanaf daar is het kwartier lopen naar de sportwinkel van Ton Ojers. Op het station komt Frank Heinen zwaaiend op me afgelopen. Hij is aan het bellen. Hij zegt tegen me dat hij nog even een column moet doorbellen. Ik hoor wat sporttermen voorbij komen. Tijdens het kwartier lopen naar de sportwinkel van Ton Ojers bespreken Frank en ik wat we gaan kopen. We moeten een alibi hebben en interesse tonen in een product. Ik zeg dat ik een nieuw paar rode sokken nodig heb. Frank kan wel een nieuwe bermuda gebruiken.

We komen uit op een industrieterrein. We lopen langs grote grijze loodsen. Maar dan, plots, bereiken we onze bestemming: Alto Sportswear. Het is 14:00 uur. Als het goed is heeft Ton Ojers al geluncht.

Binnen hangt overal sportkleding. Er is niemand in de winkel. Frank Heinen en ik lopen rond en bekijken de spullen. Frank blijft staan bij een rek bermuda’s. Een kraaltjesgordijn rinkelt. Ton Ojers komt tevoorschijn. Hij is geschminkt als Zwarte Piet. Zwarte vegen op zijn wangen, rode lippen, een gouden oorbel in en een glimmende groene zwartepietenmuts met een paarse veer op zijn hoofd. Hij vraagt of hij ons kan helpen. Ik zeg dat ik een paar rode sokken zoek. ‘Hij een bermuda,’ zeg ik en wijs op Frank Heinen. Ton Ojers stopt een hand pepernoten in zijn mond en zegt kauwend dat hij geen zaken doet met particulieren.

Ton Ojers vraagt van welk bedrijf we zijn. ‘HP/De Tijd,’ zeg ik. ‘Punt nl,’ zegt Frank Heinen. Ton Ojers zegt het niet te kennen. ‘Het is tijdschrift, een soort Panorama,’ zeg ik, ‘maar dan gedrukt op duurder papier.’ Bij het woord ‘duurder’ beginnen de ogen van Ton Ojers te glimmen.

Met een plastic bekertje koffie in onze hand zitten we op een bankje. Ton Ojers laat ons shirtjes en broeken zien. ‘Dan kan hier het logo van jullie bedrijf,’ zegt hij. Hij wijst op de borst van het shirt. We durven niets te zeggen. Ton Ojers maakt zelfstandige keuzes. Met een bestelling voor dertig shirtjes, bijpassende korte broeken en zweetbandjes verlaten we het pand. We krijgen allebei een hand pepernoten mee. Volgende week is alles bedrukt en klaar. Het pakket wordt naar de redactie van HP/De Tijd gestuurd. De factuur moet binnen veertien dagen worden voldaan.