De onschuld van Kevin H.

Mijn naam is Kevin Hansen, ik kom uit Hamburg, waar ik sinds december vorig jaar werk op het kantoor van een belastingadviseur.Dit is het verhaal van mijn onschuld.

Doll
Vroeger, als jongetje, zat ik iedere veertien dagen op de steile tribunes van het Volksparkstadion.
Rechts van me zat mijn vader, links mijn moeder.
We juichten voor HSV.
Ik vooral voor Thomas Doll. Het liefst van alles wilde ik zijn zoals hij, spelen zoals hij, het succes hebben dat hij had. Waarom niet: mensen die het weten konden, zeiden dat ik op Gunter Netzer leek.
Zo goed als Netzer werd ik niet, en zo goed als Doll ook al niet.
Bij lange na niet, zelfs.

Profvoetballer werd ik wel: ik debuteerde op de laatste speeldag van het seizoen 2001/2002, voor Hansa Rostock. Twintig minuten voor het seizoen erop zat, mocht ik invallen. Tegenstander was Bayern München.
Ik scoorde binnen twaalf minuten.
Na de wedstrijd, in de catacomben, belde ik mijn ouders.
Zodra ik hun stemmen hoorde, begon ik te huilen. Heel hard te huilen.

Een wedstrijd waarin niets lukt
Van mijn eerste echte salarissen kocht ik een huis voor mijn ouders. Ik vond dat ze dat verdiend hadden. En er zou nog veel meer geld komen, er werd me een internationale loopbaan voorspeld.
Maar mijn loopbaan strandde voor-ie begonnen was, een halfjaar na mijn debuut, in januari 2003.
Tegenstander was 1860 München.
Het was zo’n wedstrijd waarin alles misgaat: na twintig minuten stonden we met 0-3 achter en nog voor rust haalde de coach, Armin Veh, me naar de kant – ik geloof niet dat ik 1 bal goed geraakt heb die dag.
De weken die volgden mocht ik me hij bij het tweede elftal melden.
Zo kon ik me terugvechten, zei Veh.
Dat was ik ook van plan, terugvechten en winnen.
Zo ver kwam het niet.

Nadat ik op een van die desolate maandagavonden vol lege tribunes en hol echoënde aanmoedigingen van de trainers verkeerd neerkwam na een kopduel, scheurde ik ongeveer alles af wat je af kunt scheuren.
Een lang verhaal kort: tien operaties, een handjevol mislukte comebacks en zo’n acht jaar later had ik er genoeg van en stopte met profvoetbal.
Weer belde ik mijn vader. Weer huilden we.

Costa
Ik verhuisde terug naar Hamburg. Werk had ik niet, uitzicht erop evenmin.
Ergens in die eerste maanden na mijn stoppen moet ik Costa hebben ontmoet.
Costa heette eigenlijk Constantin.
‘Iedereen noemt me Costa,’ zei hij. Dus ik ook.
Ik mocht hem graag, Costa, we werden vrienden. Nachten achtereen brachten we samen door, voor mijn enorme flatscreen. We dronken en keken eindeloos Tarantino-films.
Als ik nu terugdenk aan die dagen, is dat wat ons bond, toen. Tarantino-films.
Costa woonde buiten de stad, we spraken altijd bij mij af.
Op het laatst was Costa vaker bij mij thuis dan ikzelf. Achteraf is het misschien niet slim, maar ik besloot Costa een sleutel te geven.
‘Hou maar,’ zei ik nog.
Ik wist natuurlijk wel dat Costa dingen verkeerd had gedaan. Hij was opgepakt geweest, hij had vastgezeten voor bedreiging. Maar hij bezwoer me dat dat voorbij was, dat hij niks geks meer deed.
Noem me naïef, noem me dom, maar ik geloofde hem.

Tot Costa me op een dag, in de kantine van Hamm United (het clubje waar ik speel sinds ik als prof ben gestopt), in m’n oor fluisterde dat er een tas met geld in m’n huis lag en dat ik er niet van moest schrikken. Wanneer het mis zou gaan, zou ik erbuiten blijven.
Het ergerde me, maar wat kon ik doen? Mijn huis was ook een beetje Costa’s huis geworden.
Uiteindelijk bleef ik er niet buiten.
Natuurlijk niet.
Op 12 april 2010 was het weer zo’n dag dat alles mis ging, net als toen tegen 1860 München.

Ik werd wakker van wat gekraak, die dag.
Toen ik mijn ogen opende keek ik in acht paar ogen die door de gaten van bivakmutsen naar me keken. Die ogen bleken later aan de agenten van een speciaal arrestatieteam toe te behoren. Ze hielden hun geweren op me gericht. Naast mij lag mijn vriendin nog gewoon te slapen.
Veel later pas, toen ik al een tijdje vastzat, hoorde ik de aanklacht: ik zou een leidende figuur zijn in een van de grootste drugsbendes van West-Europa.
Een bende die de Duitse politie “Los Paraguayos” had genoemd.
Een bende onder leiding van Costa.

Ik heb altijd mijn onschuld volgehouden. In de pers vertelden vrienden van mij, oud-collega’s vooral, dat ik zo’n aardige jongen was, dat ik zoiets nooit zou doen. Mensen vertelden het verhaal van mijn blessures, alsof dat een argument was.
Wat ik anderen ook vertelde: de officier geloofde het niet.
Ze eiste tweeëneenhalf jaar gevangenisstraf.
Mijn advocaat kon de rechter er niet van overtuigen dat hij een fout beging.

Tegenwoordig ben ik een keurige ambtenaar, ik doe iets met belastingen. Leuk is anders, maar ik werk tenminste weer. Soms, als iemand me iets over vroeger vraagt, geef ik antwoord. Zelf vertel ik niets.
Ik voetbal nog steeds, bij Hamm United. Op sommige dagen kom ik nauwelijks nog vooruit, maar dat geeft niet. Niet echt, tenminste.

PS
Op 11 november 2009 trof de Duitse politie 1,3 ton cocaïne aan verstopt in 1244 pakketjes in houten platen op een Paraguyaans vrachtschip dat de haven van Hamburg binnenvoer. Het was de grootste drugsvangst uit de Duitse geschiedenis (straatwaarde: ruim veertig miljoen euro) en de actie was een gevolg van maanden recherchewerk onder de codenaam “Operatie Burn-Out”.
In de media verschenen de namen van de arrestanten die bij de drugstransporten betrokken zouden zijn: Pedro E., Kanber O, Costa F., Haci C., Celal E., Ibrahim K..
En Kevin H. dus.
Kevin H. heeft altijd volgehouden dat hij van niets wist. De officier en de rechter geloofden hem niet, zijn teamgenoten van Hamm United tot nader order wel.