Als u niet oppast krijgt u zelf ook vermogen

Goed getimed kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek gisteren met een persbericht over de inkomensverschillen in Nederland. Heel veel feiten en dat is goed want in de Piketty-discussie dreigen die onder te sneeuwen. Emoties bepalen vaak de toon van het debat.

Inkomensverschillen zullen er altijd zijn en wat mij betreft is dat prima. In inkomen komt – excessen daargelaten – tot uitdrukking wat je kunt en wat je doet. Wie niet kan accepteren dat wat je kunt niet voor iedereen gelijk is moet – als je erin gelooft – maar eens bij God te rade, dat is dan een kennelijke fout in het scheppingsproces.

Voordat Piketty ook hier losbarstte was de meest recente eruptie op het inkomensfront die van de Balkenendenorm. Een totaal onzinnige discussie, wat mij betreft, tenzij het om overheid, semi-overheid en subsidie ontvangende instellingen gaat.

En ook daarop zouden uitzonderingen mogelijk moeten zijn want er is een verschil tussen het ‘op de winkel passen’ en het ‘tot stand brengen van veranderingen’. Dat laatste vraagt om andere, vaak duurdere kwalificaties.

Het bedrijfsleven moet z’n eigen broek ophouden en bepaalt wat mij betreft zelf wel wat iemand waard is.

Terug naar Piketty en het CBS. Hier – voor Nederland – geldt: if it ain’t broke, don’t fix it. 

In Nederland zijn de inkomensverschillen gering, zo blijkt uit de feiten. In de Europese Top Vijf van de kleinste inkomensverschillen bekleden we de vijfde plaats en dan verkeren we – op Zweden na – tussen landen als Slovenië, Tsjechië en Slowakije waar de levensstandaard flink lager is dan bij ons.

Als er al sprake is van een onevenwichtige lastenverdeling dan pakt die wel heel anders uit dan je zou denken. De 10 procent met de hoogste inkomens betaalt in ons land ruim 60 (!) maal zoveel aan belasting en sociale lasten dan de 10 procent met de laagste inkomens. In Nederland heeft 20 procent van de huishoudens 80 procent van het vermogen in handen, maar een blik achter de schermen wijst op andere oorzaken dan u zou denken. U zou er zomaar zelf schuldig aan kunnen zijn. Of schuldig aan kunnen worden.

Het gemiddelde vermogen in Nederland, berekend als het verschil tussen bezittingen en schulden, bedraagt 157 duizend euro. Maar 50 procent van ons komt niet verder dan 27 duizend euro. In die 50 procent bevinden zich vooral ook jongeren. Want hoe ouder je wordt, hoe meer tijd je hebt gehad om te sparen. Hoe ouder je wordt, hoe groter de kans dat je niet meer voor de opvoeding en studie van dure kinderen opdraait. Dat je promotie hebt gemaakt en meer verdient. En tenslotte – in een land met een relatief hoog eigen huizenbezit – zal de overwaarde van dat huis, afgezet tegen de resterende hypotheekschuld, steeds forser zijn.

Toch is het zo dat de vermogensongelijkheid tijdens de crisis is toegenomen. Ook daar speelt de huizenmarkt een grote rol. Wie in 2007 of 2008 nog een huis kocht op de top van de markt met de zeer hoge hypotheek die toen nog mogelijk was, zal – vooral als het om starters en jongeren gaat – op dit moment waarschijnlijk een negatief vermogen hebben.

Naarmate leeftijd en carrière vorderen lost dat probleem zich in de meeste gevallen op, met een eigen huis – langdurig in bezit – is de kans bijna 100 procent dat je uiteindelijk tot die Top 20 procent gaat behoren. Het zou u zelf kunnen overkomen, vermogend worden.

Dr. Doom is een pseudoniem. Als belegger is hij verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid van Beleggingsvereniging Fibonacci. Op het moment van het schrijven van deze column heeft de vereniging posities in Ahold, Akzo Nobel, ASML, DSM, Heineken, Philips, Shell en Unilever en is Short in de AEX. De positie in de AEX is kortlopend en wisselt regelmatig. Die kan dus nu al anders zijn. Volg Dr. Doom op Twitter.