De basisschool: misschien wel de laatste kans op een gevarieerde vriendenkring

In De Groene Amsterdammer stond een artikel met de titel ‘De kleine schoolstrijd’. Het ging over basisscholen die feitelijk te klein zijn om fatsoenlijk te kunnen functioneren, maar vanwege verschillende levensbeschouwelijke overtuigingen (en een gebrek aan financiële prikkels, een situatie die SGP en CU graag in stand houden) weinig geneigd zijn te fuseren met andere scholen in de omgeving.

Wanneer ik mijn vrienden chronologisch rangschik, ontstaat er een verontrustend beeld. Mijn basisschoolvrienden hebben uiteenlopende beroepen. Ze zijn kok, gymleraar, regiohoofd bij een supermarktketen en market research director. De vrienden van de middelbare vwo-school hebben, op een piloot na, allemaal een commerciële kantoorbaan. De meeste studiegenoten zijn beleidsambtenaar geworden. Vrienden van na die tijd werken net als ik in de creatieve sector.

Politieke voorkeur, inkomen en woonplaats geven eenzelfde beeld: hoe recenter een vriendschap, hoe meer de vriend in kwestie op mij lijkt. En op mijn andere recente vrienden.
Wie al vóór de basisschool een voorselectie maakt, ontneemt kinderen een belangrijke kans op een gevarieerde vriendenkring, en daarmee op een beter begrip van de wereld.

Geen garanties
Dat het geen garanties biedt, ondervond ik vorige week. Ik maakte de fout om op zondag de Action te bezoeken. Half Amsterdam was op hetzelfde idee gekomen, wat de sfeer niet ten goede kwam. Voor een jarige vriendin kocht ik een groen plastic gietertje in de vorm van een olifant.

Toen ik een minuut of vijf in de rij stond, werd er een nieuwe kassa geopend. De gretigheid waarmee de bezoekers erop afstormden gaf de indruk dat ze nog veel gepland hadden die dag – iets wat door mijn onderbuik sterk in twijfel werd getrokken.

Voor me in de nieuwe rij stonden de mensen die in de oude rij nog achter me stonden. Ik zei er niets van. Kleine kans dat ze een man met een groen olifantengietertje serieus zouden nemen.

De trein van 7:00 uur
Een paar dagen eerder reisde ik wegens omstandigheden met de trein van 7:00 uur van Amsterdam naar Enschede. Het eerste wat opviel was de drukte. Ik kan het nog steeds niet bevatten dat er op dat tijdstip al zoveel mensen wakker zijn.

Op het kassameisje van de AH To Go na was iedereen chagrijnig. Eén vrouw was er erger aan toe dan de rest. Van buiten was ze bloedmooi, van binnen was er van alles mis. Telkens wanneer de conducteur omriep welk station we binnenreden, slaakte ze een geïrriteerde zucht. Het geluid van een cappuccinoapparaat.

In Hengelo moest ze de trein uit. Bij het opstaan viel er een Labello-stick uit haar tas, die onder mijn stoel rolde. Behulpzaam als ik ben, boog ik voorover om hem op te rapen, waarop ze met haar rode pump subtiel mijn hand wegtrapte, bukte en zelf de stick zelf opraapte.

Ook hier zei ik niets van. Van verbazing, en omdat we in de stiltecoupé zaten. Toen de vrouw de trein verliet keek ze me aan alsof ik zojuist haar huis in de fik had gestoken.

Bij sommige mensen weet je meteen: al zit je honderd jaar bij ze in de klas, begrijpen zal je ze nooit.