De snotbaard van Lau (voorheen bekend van ‘Bau & Lau’)

Zaterdagochtend sloeg ik nietsvermoedend het sportgedeelte van mijn krant op – ik had in het nieuwsgedeelte meer verdriet, droefenis en gruwelijkheden gelezen dan mijn gemoed hebben kon. Daarom dus die sportpagina’s: overzichtelijk lijden.

Daar stond hij, prominent op de eerste pagina: een foto van Laurens ten Dam. Of eigenlijk: van de snotbaard van Laurens ten Dam. Een soort gelig mengsel van snot en slijm droop de lezer in lange, vochtige draden tegemoet.

De Sjors & Sjimmie van het peloton
Je kunt de mensheid in twee groepen verdelen: mensen bij wie een snotbaard er uitgesproken walgelijk uitziet (vrijwel iedereen) en mensen bij wie die lange, naar de grond reikende draden iets vertederends hebben, ja zelfs tamelijk aantrekkelijk ogen (Laurens ten Dam). Wie Laurens ten Dam vol vochtig slijm en hard geworden snot met holle ogen naar een NOS-microfoon ziet loeren alsof het Snoop Doggs magic stick is, kan al gauw denken: ik ga ook een snotbaard laten staan. Het is mannelijk, het glimt en het toont dat je niet voor een kleintje vervaard bent.
(Mijn tip: doe het niet. Ik heb ooit, destijds nog geïnspireerd door Jochem ‘schuimkraag’ Uytdehaage, een snotbaard laten staan en had niets tegen mijn vriendin gezegd. Ik wil er verder niet al te veel over zeggen – want wat geweest is, is geweest – dus laat ik het erop houden dat de relatie daarna een tijdje wat koeler was dan anders. En dan was het nog niet eens een echte snotbaard, meer wat losse klodders die uit de losse pols op mijn gezicht gespetterd leken).

God, die Lau toch. Voorheen bekend van het duo Bau & Lau, de Sjors & Sjimmie van de koers, met dien verstande dat Sjors blond was en Sjimmie donker en dat ze weliswaar allebei fietsten, maar dat ze nooit ook maar in beeld zijn gekomen van de opleidingsploeg van Rabobank. Sinds dit Tourweekend is het overduidelijk ieder voor zich, alsof Suske & Wiske zich wel beiden bezighouden met het mysterie van de mattende mattenkloppers, maar wel allebei op eigen houtje.

Het is niet de Tour van Bau, de man met het hoofd als een kassei, de man die klimt als een mier die met een broodkruimel op zijn rug tegen een grasspriet probeert op te klauteren. Het nieuwe, het spannende is eraf. Wat ervoor in de plaats gekomen is, spreekt minder tot de verbeelding: 65 kilo amechtig voortploeterende Groningse (en chronische) nuchterheid. Als iemand hem vraagt hoe het met hem gaat, begint hij zijn zin met een langgerekt ‘Ja’. En als iemand vertelt dat het minder gaat als vorig jaar, begint hij zijn zin met een langgerekt ‘Nou ja’.
Altijd verstandig, altijd vriendelijk, altijd kalm en intelligent, maar: geen stripheld.

Nee, dan Lau.

Lau is in de afgelopen jaren door alle media die ‘iets met wielrennen’ wilden, geportretteerd als een soort halve wilde. Dat komt: hij scheert zich schijnbaar niet elke dag (of in elk geval niet grondig), hij heeft een jeepachtige off the road-wagen waarmee hij off the road gaat als dat zo uitkomt, hij leest weleens een boek (uit), en als er op hoogte getraind moet worden, doet hij dat liever in z’n eentje in Colorado, met een vismeertje naast de deur en ’s avonds een Budweiser op de veranda.
Normale liefhebberijen, behalve voor een wielrenner.
Wie doet als Lau, wordt in het peloton bezien als een curiositeit, als een ontsnapte krankzinnige.

Ochtendurine van zeven Franse maagden
Het aardige is dat Lau de meeste van zijn eigenaardigheden in al die verrukkelijke human interest-reportages zelfs nog heeft afgezwakt – anders zou hij in dat ouderwetse wielrennen helemaal met de nek worden aangekeken.

Zo beginnen Laus dagen om half zes, met een volle emmer geitenmelk – zelf gemolken, natuurlijk – en een medium rare biefstuk ter grootte van een kinderfietsje. Daarna maakt hij met behulp van een plumeau zijn fietsen schoon en zet er daarna de hogedrukspuit op. Niet met ordinair Maastrichts kraanwater, ben je mal! De Kärcher is de avond voordien al gevuld met de (op internet aangeschafte) ochtendurine van zeven maagden uit de Franse Alpen.
Wordt dat geen zootje, zo’n hogedrukspuit vol urine midden in de woonkamer, vraagt u zich misschien af. Moet u net Lau hebben! Die kent het woord ‘zootje’ alleen van horen zeggen, voor hem is een beetje zootje onmisbaar om te kunnen functioneren. Laatst nog was hij zijn zoontje drie dagen kwijt in de keuken. Het kind had zich in leven gehouden met oude vruchtenschillen en restjes afwaswater dat het op de vloer had aangetroffen.
Wordt-ie hard van, vindt Lau.

Trainen doet Ten Dam bij voorkeur lang en hard. Hoe lang en hard weet niemand precies, maar laten we zeggen dat hij – als hij rond zevenen vanuit zijn Maastrichtse voortuin vertrekt en tegen de schemering weer terugkeert – af en toe met een tasje producten terugkeert die je alleen in een bepaalde Italiaanse supermarkt kunt kopen.
’s Avonds kookt hij voor het gezin: meestal zelf geschoten vlees in een saus van sneldrogend cement. Laatst kwam hij nog met een mammoet thuis.
“Lau, wat is dat?” vroeg zijn vriendin.
“Een mammoet,” zei Lau met die hem zo typerende scherpzinnigheid.
“Mammoeten zijn al duizenden jaren uitgestorven,“ zei zijn vriendin geschokt, waarop Lau concludeerde dat het een lange training moest zijn geweest.
Heerlijk, en een goede bodem bovendien. Na het eten is het tijd voor ontspanning: geen tv, geen Twitter; Lau is een veellezer. Zijn doel is een oeuvre per week – “Je bent topsporter, je stelt altijd doelen,” zei hij eens tegen Boekblad – maar dat lukt niet altijd. Over het verzameld werk van Vestdijk deed hij vorige zomer bijvoorbeeld tien dagen – en daar zaten nog twee vrije middagen bij ook.

Had ik al iets verteld over Laus woonsituatie? Vroeger, ja, vroeger woonde hij in een doodnormaal rijtjeshuis, tot hij zich op een nacht in bed afvroeg waarom hij de sterren niet kon zien. Daarop verwijderde hij de volgende ochtend het dak van zijn huis en toen dat beviel, ook de muren en uiteindelijk de vloer. Zo slaapt de familie Ten Dam sinds het voorjaar van 2013 in de openlucht. Alleen het schuurtje staat er nog, voor de fiets.
Scheren doet hij driemaal daags – zijn baard groeit sneller dan de Amerikaanse staatsschuld – met behulp van een oud slagersmes dat hij vijf jaar geleden van zijn favoriete biefstukkenleverancier kreeg.

Niet onaardig
God ja, en zo zijn er nog wel duizend dingen die ik over Laurens ten Dam zou kunnen vertellen, maar u zou ze nooit geloven. Bovendien zou u me niet verstaan, met die toch niet onaardige snotbaard voor mijn mond.