Andy Schleck en het einde van de Andypathie

Andy Schleck is een man die vaker met een glitterdrankje in een kroeg met boemboemboemmuziek staat dan hij op zijn racefiets zit. Geen punt – ik ken hartstikke leuke mensen voor wie hetzelfde geldt, er zijn tijden geweest dat zelfs ikzelf tot die categorie behoorde – maar Andy Schleck is de afgelopen jaren miljonair geworden doordat mensen vermoedden dat hij het goed zou doen op een racefiets. Dan moet je er wel af en toe op gaan zitten.

Gisteravond circuleerde plotseling het bericht dat Andy Schleck een dezer dagen aankondigt dat hij stopt met wielrennen. Dat lijkt wat vroeg – Andy is 29 jaar en in potentie (zo zeggen ze dat dan) nog altijd een van de talentvolste wielrenners van zijn generatie – maar het is eigenlijk jaren te laat. Hij was goed, Andy, hij won zelfs de Tour (nou ja, hij kreeg een Tour in z’n maag gesplitst omdat de dokter van Alberto Contador een paar picoseconden in slaap gevallen was), maar altijd als ik Andy Schleck de laatste jaren op een fiets zag zitten, dacht ik: kap ermee. Laat het zitten. Ga in een Luxemburgs bos wonen, of in Parijs voor mijn part, en vergeet dat je ooit wielrenner was.

Hij leek het niet meer leuk te vinden, Andy – je ging je zelfs afvragen of hij het ooit leuk gevonden had, fietsen. Iedere keer dat ik Andy Schleck de laatste jaren op een fiets zag zitten, keek hij alsof een man met een maskertje hem daartoe gedwongen had; zijn neutrale expressie werd langzaam die van een oorwurm die zo’n dag heeft dat alles misgaat. Dat was des te vreemder als je weet dat het gezicht van Andy Schleck zich leent voor vrolijkheid: alle voorwaarden die nodig zijn om opgewekt door het leven te gaan, zijn in zijn gelaat in overvloed aanwezig.

Andypathie
Om eerlijk te zijn had ik altijd nogal een hekel aan Andy Schleck. Ik vond hem een verwaande kwast, het soort mooie, lange, slanke, beroemde jongen waar je als niet zo mooie, korte, geblokte, tamelijk onbekende jongen over het algemeen niet zo van gecharmeerd bent. Zijn nonchalance ergerde me, het leek alsof hij iedere rake pedaaltrap op de een of andere col zomaar uit z’n mouw (pijp) schudde, zonder dat hij daar eerst jaren keihard voor had hoeven trainen. Dat had hij natuurlijk wel gedaan, maar je zag het er gewoon niet aan af: zijn gezicht vertoonde nauwelijks gebruikssporen, als dat van een engelachtig, Randsteeds gymnasiumjongetje. Wielrennen is een sport van lijden, van afzien, van doorzetten, van vallen en van slopen of gesloopt worden, van worstelen en bovenkomen, en Andy Schleck leek al dat calvinistische geleuter aan zijn laars te lappen: hij sloopte zonder ooit gesloopt te zijn, hij kwam boven zonder zichtbaar geworstel. Ronduit ergerlijk.

Ik had meer sympathie voor z’n broer, niet omdat die nou zo’n mooie naam had – nou ja: ook – maar vooral omdat hij zoveel minder perfect was. Hij reed minder hard omhoog, hij was minder mooi, hij reed regelmatig een ravijn in, en bovendien had hij een broertje dat hem voortdurend te snel af was – meer heeft een mens niet nodig om een geliefde underdog te worden.

Mijn Andypathie bereikte een hoogtepunt in het jaar 2010 – het jaar dat hij tweede werd in een Tour die hij anderhalf jaar later alsnog won. Hij reed uitstekend, was opgewekt en daagde Alberto Contador, een schijnbaar niet al te koosjere Spanjaard, uit. De hele wereld trok partij voor die jongen met die lange benen. ik zette mijn zinnen op Contador, die ook won, voor even. Meer nog dan zijn fietsen waren het de lekker gekke Andydotes die me ergerden: geruchtjes die als vaag gerommel uit de buik van het peloton opstegen en waar altijd de ingrediënten drank en podiummissen in verwerkt leken. Ook dat nog, dacht mijn minderwaardige ik, ook dat zit hem nog mee. Ik had wielrenners altijd beschouwd als beklagenswaardige figuren omdat hun werk geen drank en podiummissen verdroeg, maar nu toonde een van de beste renners ter wereld aan dat je best het beste van twee werelden kon hebben, als je maar opgewekt en talentvol genoeg was.

Andy Schleck was iemand bij wie niets mis kon gaan.
Met dat soort mensen gaat het vaak mis.

Abandy
Het geluk dat hem altijd zo overdadig gegund was geweest, liet hem in de steek, en met dat geluk verdwenen achtereenvolgens de prestaties, de liefde van het publiek en de zin om te fietsen.
Andy werd Abandy, de best betaalde afstapper van het peloton.
Af en toe viel hij, dat was hem vroeger ook niet vaak gebeurd. Meestal brak hij wat.
Ten slotte, aan het eind van dit seizoen, was er geen plek meer voor hem in de ploeg die hij ooit zelf oprichtte.

Morgen is er een persconferentie over de toekomst van Andy Schleck. Mogelijk kondigt hij daar aan dat het genoeg geweest is. Gebeurt dat, dan zal mijn Andypathie officieel ten einde zijn en plaatsmaken voor een medelijden voor een rijke en beroemde jongen van 29 die het ook allemaal even niet meer weet.