Hoe ik langzaam in een kleine Morrissey verander

Morrissey, een Britse zanger met miljoenen fans waarvan hij zelf de grootste is, trad gisteravond op in TivoliVredenburg in Utrecht. Alle media hadden het erover. Niet omdat Morrissey zo’n geweldige zanger is (dat is hij overigens wel), maar omdat hij verzocht had het hele complex vleesvrij te maken.

TivoliVredenburg had dat verzoek ingewilligd, waardoor ook de deelnemers aan het Liszt Concours in een andere zaal aan de tofu moesten. Joop Daalmeijer, juryvoorzitter van dienst, had daar iets van gezegd op Facebook. Een mediahype(je) was geboren.

Vlees noch vis
Net als Morrissey eet ik vlees noch vis. Dat is min of meer per ongeluk zo gekomen. Mijn leven lang hoorde ik over plofkip en parmaham, over de inefficiëntie van het productieproces van vlees, over veetransporten waar onschuldige koeien opeengepakt staan alsof het NS-reizigers zijn.

Een opiniestuk van nota bene Marianne Thieme was de druppel. Ik ging minder vlees eten. Niet langer zeven dagen per week, maar zes, misschien zelfs vijf. Ongemerkt werd minder nog minder en voor ik het wist at ik helemaal geen dieren meer.

Of nou ja, bijna helemaal. Uit de tijd dat ik nog weleens een frikandelletje uit de muur trok herinnerde ik me wildvreemden die ongevraagd tegen me begonnen te preken, bloeddorstig, alsof het eten van een staaf samengeperst slachtafval even verwerpelijk was als een klas vol schattige kleutertjes in een vulkaankrater duwen. Ik beloofde mezelf dat ik nooit zo zou worden. At ik bij vrienden, dan kluifde ik braaf de satéstokjes af die ze met zorg voor me ontdooid hadden.

Op den duur begonnen mijn vrienden uit zichzelf rekening te houden met mijn dieet. Het zijn stuk voor stuk fijne knapen, moet u weten. Toen ik in mei 2012 een bruiloft had van een goede vriend, had ik zeker twee jaar geen vlees gegeten.

Foe yong hai
Mijn vriend trouwde met een meisje van Chinese afkomst en dat werd gevierd in een reusachtig Chinees restaurant. Niet zo’n foe yong hai-buurtchinees, nee, een echte. Mijn belofte indachtig deed ik nergens moeilijk over. Die avond at ik zo ontzettend veel vlees, dat ik begon te vrezen dat de dieren op zouden raken.
Ik bedoel echt op. Wereldwijd, geen dieren meer.

Ik sliep bij een vriend van de bruidegom, een jongen die ik hooguit als vage kennis kon beschouwen. Hij had verteld dat hij net een nieuw bed had gekocht. De avond na de bruiloft zou hij een date hebben. Daar hadden we nog typische jongensgrappen over gemaakt, over hoe hij zijn nieuwe bed zou inwijden.

Ik werd wakker van jeuk aan mijn kont. Toen ik krabde, voelde ik nattigheid. Eerst letterlijk, kort daarop ook figuurlijk. Ik knipte het licht aan. Mijn darmen waren het vlees ontwend en dat had zijn sporen nagelaten op de nieuwe matras. De uren tussen die ontdekking en het moment dat ik het mijn gastheer vertelde, behoren tot de meest penibele uit mijn leven. Dat zegt iets over mijn inderdaad niet al te penibele leven, maar toch vooral over die uren. Sindsdien eet ik definitief geen vlees meer.

Kipkluiven, rookworsten en hamburgers
Naar aanleiding van het nieuws over Morrissey stroomde mijn (door 393 met zorg uitgekozen ruimdenkende twitteraars gevulde) timeline vol met heel en half gemeende opmerkingen over kipkluiven, rookworsten en hamburgers. Morrissey moest zijn principes niet met een trechter door hun strot douwen. Ze zijn geen ganzen!

Toch zie ik langzaam een kentering optreden. Waar ik tot een jaar of vijf geleden nog moest uitleggen waarom ik geen vlees at – het leek soms alsof vegetarisme een zelfverkozen ziekte was, een ebolaspuit die je vanwege een of andere duistere geloofsovertuiging in je arm had gezet –, hoor ik tegenwoordig steeds vaker excuses. Excuses die duiden op een ontkenningsfase.
‘Nee, ik eet ook bijna geen vlees meer. Heel af en toe nog. En dan alleen biologisch.’

Kleine Morrissey
Mogelijk daardoor gesterkt begin ik, haast onbewust, heel geleidelijk in een kleine Morrissey te veranderen. Tijdens de lunch prevel ik regelmatig ‘zielig’ als een kantoorgenoot een laag filet americain op zijn brood smeert. Wanneer de ham over datum wordt weggegooid, merk ik gespeeld chagrijnig op dat het lieve varkentje helemaal voor niets gestorven is.

Misschien is het onvermijdelijk. Raakt iedere vegetariër vanzelf overtuigd van zijn eigen gelijk – omdat hij zich de geneugten van  vlees niet kan herinneren en omdat de feiten nu eenmaal in zijn voordeel spreken.

Mocht ik daarin ooit zover doorslaan als Morrissey (en bovendien zo beroemd worden dat ik zalen van tweeduizend man voltrek (waarmee, in godsnaam?)), dan wil ik bij dezen alvast zeggen: het spijt me niet.

(Ondertussen is het allemaal hartstikke hypocriet natuurlijk. Ik koop mijn kleding bij C&A, ik ben voornemens een nieuwe telefoon te bestellen terwijl de oude het nog doet en ik drink liters melk en yoghurt per week, meestal niet eens biologisch. Daarover over een jaar of tien mogelijk – hopelijk! – meer.)