De herkenbaarheid van flitsauto’s

Indien de politie in Huizen vroeger een diverser wagenpark had gecombineerd met een grotere mate van onvoorspelbaarheid dan had ik vaker droog brood gegeten. Gelukkig koppelde mijn moeder, als het ging om het herkennen flitsauto’s van de politie, een arendsoog aan een olifantengeheugen. Dat heeft haar een hoop boetes bespaard. Als ze op de kronkeligste dorpsweg uit de bocht op het enige rechte stuk uitkwam spiedde ze direct naar de parkeerplaatsen halverwege het rechte stuk. Daar stonden ‘ze’ vaak met de flitsauto’s.

En met ‘ze’ bedoelde mijn moeder dienders in een auto die niet direct als politiewagen te herkennen zou moeten zijn. Helaas voor de ordehandhavers. Naast de Chinese muur zou mijn moeder ook de grijze Jetta en later de blauwe Polo vanaf de maan herkend hebben. Inclusief kentekenplaten. Deze herinneringen kwamen boven toen ik op Facebook een oud-dorpsgenoot zag waarschuwen voor een flitser bij het bushokje op ’t Merk, samen met de slingerweg, bij de hockeyvelden en de weg naar Bussum historisch gezien populaire flitsplekken. “De welbekende Opel met kenteken NTL”, was de toevoeging.

Eigenlijk was ik verbaasd dat er in Huizen nog geflitst of – moderner – gelaserd wordt. Huizen is namelijk het walhalla voor liefhebbers van drempels, wegversmallingen, rotondes en andere snelheidsremmende verkeersconstructies. Een melkmeisje siert de dorpsvlag, maar onderhand zou een doek met de afbeelding van een rotonde met aan alle uiteindes een verkeersdrempel historisch adequater zijn. Ik vroeg mij af of mijn moeder, nog steeds woonachtig in het dorp met de hoogste drempeldichtheid van Nederland, nog steeds bekwaam flitsautospotter is. Of zou ze als 50-plusser sowieso niet meer zo hard rijden?

Een snelheidsduivel was ze vroeger overigens ook niet. Mijn moeder hield van gematigd te hard rijden. Vijftig was een slakkengang, dus liever zestig. Een bevriende politieagent vertelde haar ooit dat ze vroeger bij verkeerscontroles op 50-kilometerwegen de radar instelden op 65 kilometer. Zo pakten ze alleen de mensen “die dondersgoed wisten dat ze fout zaten”. Tolerante agenten die niet moeilijk doen “over een paar kilometertjes te hard” waren mannen naar mijn moeders hart, en vermoedelijk naar dat van veel Nederlanders. Het ruimhartige beleid bij kleine overschrijdingen maakte in andere gevallen overigens weinig indruk op mijn moeder. Kwam ik om half drie in plaats van het afgesproken tijdstip van twee uur thuis, maakte mijn constatering dat ik slechts een half uurtje te laat was weinig indruk.

Enfin, ik wilde weten of mijn moeder nog steeds flitsauto’s herkent. Aangezien ik nog zelden bij haar in de auto zit vroeg ik het per WhatsApp. “Herken jij nog steeds flitsauto’s van de politie in Huizen of rijd je rustiger op je oudere dag?” Mijn moeder vond het een rare vraag getuige haar antwoord “waar slaat dit op”. Als ik toegeef dat ze mogelijk weer het lijdend voorwerp in een column wordt blijft het even stil. Na een paar minuten trilt mijn telefoon. “Het is meestal een Seat”.