Verklaard: onze (irrationele) vliegangst

Mensen met vliegangst zullen na de afgelopen dagen hoogstwaarschijnlijk banger zijn dan ooit om een vliegtuig als transportmiddel te gebruiken, al is die angst niet rationeel. Hoe komt het toch dat mensen een angststoornis kunnen ontwikkelen voor iets dat geen grote levensbedreiging is?

Op basis van cijfers over het vliegverkeer in de VS is aangetoond dat er gemiddeld ‘slechts’ 140 mensen per jaar overlijden aan een vliegtuigongeval, terwijl auto-ongevallen 160 dodelijke slachtoffers per dag veroorzaken. De kans dat iemand overlijdt in een vliegtuigongeval is 0,00001 procent in de VS. Echter, vaak is onderliggend aan vliegangst een andere vrees die vliegangst in de hand werkt. Meer dan de helft van de mensen die bang zijn lijdt eigenlijk aan andere angststoornissen zoals hoogtevrees, claustrofobie, angst voor controleverlies, enzovoorts. Hoe komt het dat hun emoties zo sterk zijn, terwijl de cijfers aantonen dat dit niet altijd even gegrond is?

Hondenbeet
Angst is een zeer belangrijke emotie. Het vertelt ons aan wanneer we in een levensbedreigende of gevaarlijke situatie bevinden. In de hersenen zijn er twee belangrijke structuren die een rol gaan spelen bij het ervaren van negatieve emoties, voornamelijk angst: de amygdala en de hippocampus.

De amygdala kan gezien worden als een poort tussen binnenkomende sensorische prikkels van de buitenwereld en de negatieve emoties en interpretaties die aan deze signalen gekoppeld worden. Op die manier wordt aan elke nieuwe situatie een zinvolle emotie en interpretatie gekoppeld. Een studie bij ratten toonde ooit aan dat na verwijdering van de amygdala, deze ratten geen enkele angst meer hadden. Bij mensen lijkt de verwijdering van de amygdala ook een effect te hebben op angst. Dokters verwijderden de linkeramygdala bij een 44–jarige man omwille van een afwijking die herhaaldelijke beroertes veroorzaakte. Na verwijdering van de linkeramygdala was zijn fobie voor spinnen volledig verdwenen. Andere normale angsten, zoals spreken voor een publiek, gaven nog steeds een normale dosis stress en angst zoals bij andere mensen.

Hoe werkt die amygdala nu concreet? Bijvoorbeeld, wanneer je als kind de eerste keer in contact komt met een hond, zal je nog niet meteen angst ervaren omdat je deze situatie nog niet eerder hebt meegemaakt. Maar stel dat je nu net die keer gebeten wordt door de hond, dan zal de amygdala een angstlabel koppelen aan de situatie ‘ik kom in de buurt van een hond’. De volgende keer dat je in een soortgelijke situatie terechtkomt, zal je angst ervaren en zal je de hond vermijden.

Naast het ervaren van de emotie angst, die voornamelijk getriggerd wordt door de amygdala, zal je ook de hele gebeurtenis ‘opslaan’ als een herinnering. De hippocampus staat in voor dat aspect. De hippocampus huist het langetermijngeheugen en bevat alle herinneringen en alle belangrijke feiten die je ooit meegemaakt of geleerd hebt. In het voorbeeld van de hond, zal de hippocampus ervoor zorgen dat als je de volgende keer een hond tegenkomt, je nog de dag weet, de plaats en wat erna gebeurde. Aftakeling van de hippocampus wordt dan ook in hoge mate geassocieerd met dementie.

Stress
In normale gevallen wordt angst ervaren als er dus een externe sensorische prikkel is die van de amygdala wordt doorgestuurd naar de rest van de hersenen. Maar als iemand een angststoornis heeft of zeer irrationele vormen van angst, treedt angst ook op als er geen echte dreiging is, en veroorzaakt op die manier onnodige stress en negatieve emoties.
De hersenstructuren betrokken bij angststoornissen zijn nochtans dezelfde als mensen zonder angststoornis angst ervaren. Maar het lijkt dat er kleine verschillen zijn in structuur en de werking van de hippocampus en de amygdala bij mensen met een angststoornis.

Bijvoorbeeld, onderzoekers hebben gevonden dat de hippocampus tot 8 procent kleiner is bij mensen die slachtoffer waren van mishandeling als kind of bij soldaten die in de oorlog gediend hebben. Onderzoekers zijn momenteel nog bezig uit te zoeken wat die verkleining van de hippocampus veroorzaakt en hoe het meespeelt bij angststoornissen en posttraumatische stressstoornis. Studies bij niet-menselijke primaten lijken te suggereren dat hoge niveaus van het stresshormoon cortisol geassocieerd zijn met neurotoxische effecten op de hippocampus. Dus als mensen herhaaldelijk geconfronteerd worden met hoge niveaus van stress, wat het geval is bij angststoornissen, zal dat de structuur van de hippocampus beïnvloeden.

De amygdala vertoont verhoogde activiteit bij mensen met een angststoornis in vergelijking met mensen zonder angststoornis3. Die verhoogde activiteit is ook terug te vinden bij mensen zonder angststoornis als ze in een stressvolle situatie belanden. De verhoogde activiteit in de amygdala is een van de centrale factoren bij een grote groep van fobieën: angst voor slangen, spinnen, vliegen, zelfs bij angst voor wiskunde.

Trigger
Op dit moment wordt gedacht dat zowel ervaringen als genetische predispositie een rol kunnen spelen bij het ontstaan van een angststoornis. Een studie naar de genetische factoren bij angststoornissen toonde aan dat ongeveer 32 procent van de variatie tussen mensen in het voorkomen van een angststoornis te wijten is aan genetische factoren, bij zowel mannen als vrouwen.

Er is dus tot op zekere hoogte sprake van een genetische aanleg, maar toch is de rol van ervaring duidelijk groter. Ook al heb je een genetische kwetsbaarheid, dan nog staat het niet in de sterren geschreven dat je een angststoornis zal ontwikkelen. Maar omgekeerd evengoed: je kan een angststoornis ontwikkelen zonder enige genetische kwetsbaarheid.

Zo hebben onderzoekers mensen zonder angststoornis aangeleerd om neutrale geuren te associëren met angst. Naarmate dat de associatie sterker werd, ontstond er een betere connectie tussen de hersenstructuren die instaan voor geur en hersenstructuren die instaan voor emotieregulatie, onder andere de amygdala. Dat effect bouwt zich op na verloop van tijd: hoe meer angst we ervaren voor een bepaalde trigger, hoe beter de connectie wordt tussen de hersengebieden en hoe sneller we dus angst gaan voelen voor een bepaalde trigger die eerst neutraal was.

Anti-depressiva
Hoe kunnen mensen met een angststoornis geholpen worden? Op dit moment zijn er twee veel voorkomende behandelingen.

Psychotherapie zal helpen bij het verminderen van de angststoornis. De meest effectieve therapie lijkt de cognitieve gedragstherapie (CGT) te zijn. Het idee van cognitieve gedragstherapie is dat mensen gedurende hun hele leven gedrag aanleren, zowel functioneel als disfunctioneel gedrag. En nog belangrijker, dat al het aangeleerde gedrag weer afgeleerd kan worden en vervangen door een meer functioneel gedrag. Deze therapie helpt patiënten om nieuwe gedragingen aan te leren, en hun eigen gedrag, gedachten en gevoelens te observeren om op die manier van disfunctionele gedrag af te komen. Onderzoekers hebben gevonden dat mensen met een angststoornis die CGT volgen na 12 weken een verminderde activiteit in de amygdala en hippocampus hebben in vergelijking met hun hersenactiviteit voor ze met de behandeling begonnen. Tegelijkertijd was ook hun angst afgenomen voor de stimuli die voor de therapie angst uitlokten.

Een tweede behandeling is gebaseerd op medicatie. Medicatie zal angststoornissen niet genezen, maar het helpt wel om de angststoornis onder controle te houden terwijl de persoon een psychotherapie ondergaat. Meestal worden antidepressiva of anti-angstmedicatie gegeven.

Vliegangst
Vliegangst valt dus te verklaren door een al dan niet genetische kwetsbaarheid voor de ontwikkeling van angststoornissen in combinatie met bepaalde angstopwekkende ervaringen( zoals een slechte vliegervaring of geregeld lezen over vliegtuigongevallen) en andere onderliggende angsten (hoogtevrees of claustrofobie). Die herhaaldelijk ervaren angsten veranderen onze hersenen, en dan met name de amygdala en hippocampus. Daardoor zullen mensen met een angststoornis de angstige emoties des te intenser ervaren door verhoogde amygdala-activiteit. Om die angst aan te pakken en de amygdala-activiteit terug op normaal niveau te brengen, blijkt cognitieve gedragstherapie te helpen.