Een Italiaans dineetje met Cristiano Ronaldo

Geheel volgens plan deden we zo weinig mogelijk in Italië. Steeds als we op het punt stonden toch iets te doen, maakte een van ons tweeën de ander duidelijk dat ie moest oppassen. En dan deden we dat. Zelfs het laten bezorgen van pizza’s lieten we doen. Als we een pagina uit hadden, wachtten we op een briesje uit zee dat hem zou omslaan en als de avond viel en het flaneren op de boulevard begon, zakte de moed ons in de slippers.
Zo vergleed de vakantie, de zon gleed loompjes langs de hemel en de hotelkamer werd iedere avond een beetje zanderiger.

Na vijf dagen vakantie kreeg de vriendin een appje.
‘Een appje,’ zei ze.
‘Vreemd,’ antwoordde ik.
‘Waarom?’
‘Je hebt helemaal geen smartphone.’
De vriendin knikte traag, haar vermogen het onacceptabele te accepteren grenst aan de waanzin.
‘Jij zegt: dat kan helemaal niet,’ vroeg ze.
‘Is het geen sms?’ informeerde ik.
‘Er staat WhatsApp. Het is een whatsapp.’
‘Wat staat er verder?’
‘”Kom vnvd #zinin”.’
‘Dat bevalt me niks,’ zei ik.
‘Nee,’ zei ze. ‘Maar wat doe je eraan?’
‘Ik? Niks.’
Ze blies een lieveheersbeestje van haar arm. ‘Heb jij ook alweer trek?’
‘Ja.’
Daarna vielen we in slaap.

Broodstengel
Iedere avond aten we hetzelfde, in hetzelfde restaurant, aan hetzelfde tafeltje op een reusachtig, uitgestorven terras. Na twee dagen vroegen we of de keuken onze pizza’s vast in vieren kon snijden.
Soms zei de een iets, soms de ander.
De vrouw van de bediening – een reuzin die een opschrijfboekje als een loopbrug over de vallei tussen haar borsten had geplaatst – had ons gewaarschuwd dat het vrijdagavond druk zou worden. ‘Ik zou maar reserveren, op vrijdag loopt het hier storm,’ had ze gezegd, terwijl ze een wijds gebaar maakte in de richting van de omgewaaide plastic stoelen. Een taak, een verplichting, dat was een tegenvaller.
‘Kunt u niet voor ons reserveren,’ vroeg ik.
, dat kon ze wel. Kein Problem – ze had de vriendin en mij op een Beiers stel geschat en het ontbrak ons voorlopig aan de zin daar tegenin te gaan. Bovendien: in iedere verkering gaat een Beiers stel schuil.
Op vrijdagavond was het terras afgeladen met luidruchtig lachende dorpelingen, mannen die we tot nu toe alleen maar van huis naar kiosk naar bar naar huis hadden zien schuifelen, zonder de indruk te geven van enige vorm van levenslust of initiatief. Vrouwen hadden we er überhaupt nog niet gezien. Wel geroken, als we rond lunchtijd door de straten sjokten en de geuren van de pranzo uit de openstaande ramen waaiden.
‘Goed dat we hebben laten reserveren,’ zei de vriendin. ‘Het dak gaat eraf.’
‘Heeft u gereserveerd?’ vroeg een serveerster die we ook nog nooit hadden gezien, een vergetelijk type met een vlecht van staal.
Per due. Heinen.’
Nee, in haar Grote Boek stond geen Heinen. Ook geen Frank, of De Vriendin of HP/Il Tempo. Sowieso waren alle reserveringen voor twee al binnen.
De vriendin porde krachteloos in mijn rug, haar manier om te laten merken dat het tijd was voor wat stennisschopperij in mijn beste Italiaans.
‘Aaaah, Sie sind da!’ De serveerster van de rest van de week kwam met open armen en wijkende boezem op ons af. ‘Drei Personen, nicht? Grazie, Patrizia.’ Ze nam ons mee naar ons vaste tafeltje, dat nu een oase van rust was temidden van het lange lawaai van dodelijk vermoeide moeders, telefonerende grootouders en heel veel getikte kinderen.
Er zat al iemand aan ons tafeltje.
Hij las de Voetbal International en hapte gedachteloos van een broodstengel.
‘Ik heb alvast besteld,’ zei Cristiano Ronaldo. ‘Van alles wat. Je hoeft mij niet te vertellen wat lekker is.’

De rest van de avond werden er in een onverwacht stevig tempo pizza’s, pasta’s, antipasti, stukken vlees, salades en ijsjes aangevoerd. Cristiano Ronaldo nam steeds overal een eerste hap van.
‘Dit is lekker,’ zei hij dan, ‘dit moet je proeven.’ Dan sneed hij een stukje van iets af, prikte het op zijn vork en hield het de vriendin voor. Tegen mij zei hij steeds: ‘Neem! Neem! Het staat ervoor! Het is zo’n dag!’ Verder werd er niet veel gesproken.
Na het tweede grand dessert en het derde kopje koffie ging Cristiano Ronaldo achterover zitten en sloeg met zijn handen op zijn beroemde buik, waar nu min of meer het hele menu in zat.
‘Ik zit vol,’ zuchtte hij voldaan.
De vriendin zei niks, maar ik zag hoe ze onder de tafel, zo discreet mogelijk, de knoop van haar broek openzette.
De serveerster met de vlecht kwam informeren of we nog iets wensten.
‘Succes met het nationale team,’ zei Cristiano Ronaldo en lachte hartelijk. ‘Heb je dat?’
De serveerster haperde, in haar gezicht trokken meerdere spiertjes tegelijk samen. Daarna verdween ze weer.
‘Typisch Italiaans tentje,’ zei Cristiano Ronaldo. ‘Heerlijk.’ Hij rommelde even in het buiktasje dat naast hem op de terrastegels lag. Het volgende moment was hij bezig een selfiestok uit te vouwen.
‘Even op de kiek samen,’ zei hij. ‘Met z’n drietjes.’ Hij klemde zijn smartphone op de stok, stak hem de hoogte in en zei: ‘Denk aan de meest absurde situatie die je je kunt voorstellen.’ Een flits. ‘Ooh ja, heel leuk.’
De oude serveerster ramde ondertussen een fles limoncello op tafel, samen met drie zo goed als schone glaasjes.
‘Van het huis,’ zei ze, op de toon waarop filmrechters vonnissen.
‘Lekker,’ zei de vriendin.
‘Grazie,’ zei ik.
‘Heeft u ook grappa?’ vroeg Cristiano Ronaldo.
‘Smeer dat maar in je haar,’ antwoordde de serveerster, in accentloos Nederlands.

Vriend
Weer later –de vrede was getekend was en de fles leeg – splitten Cristiano Ronaldo en ik de rekening. Op de stoep voor het restaurant vroeg de vriendin: ‘Waar logeer je?’
Cristiano Ronaldo lachte weer. Zijn ogen schitterden van de alcohol. ‘Bij jullie natuurlijk.’
‘En wanneer ga je dan weer weg?’ informeerde ik voorzichtig.
‘Weg? Hoezo “weg”?’ vroeg Cristiano Ronaldo. ‘Wie het eerste bij het hotel is!’ riep hij en sprintte weg.
Daar ging hij, onze vriend. Of zo.