De onmiskenbare schoonheid van de zeven uur durende draak Excelsior – Ajax

De tweede helft van de wedstrijd Excelsior – Ajax duurde gistermiddag precies vijfeneenhalf uur. De kunststof grassprieten waren voor deze gelegenheid vervangen voor een kleverige, op gras gelijkende smurrie (van het soort dat vroeger in De Droomshow in het onderdeel Derriedouche werd gebruikt) en de 22 spelers deden alleen nog het hoognodige en wat ze deden, voltrok zich in een soort super-slow-motion.

Zelfs de cornervlaggen wapperden met tegenzin.
Na een uur of vier stopten de spelers helemaal met lopen. In stilstand trapten ze elkaar de bal toe. Toen de langgerekte Ajax-spits Arek Milik weigerde achter een pass aan te lopen omdat er een Excelsior-verdediger in zijn richting ademde, werd het Frank de Boer te veel.
‘Arek, door jongen! Kom op Arek, sterk! Arek, ga nou godverdomme door jongen!’
Het volgende moment (het voelde als een halfuur later) krulde de bal met een verveelde curve voor de voeten van diezelfde Milik. Gedekt werd er allang niet meer, zodat hij zomaar opeens vrij voor de keeper stond. Wat volgde was een lusteloos lobje, een pastiche op een goed idee. De Excelsior-keeper, die in de eerste helft nog een van Miliks schoten in z’n eigen doel had geduwd omdat hij naar de hoek dook als een zak tweedehands kleding, hoefde z’n handen niet eens echt uit te steken.
Toen ‘s avonds, bij Studio Voetbal deze kandidaat voor de vetlederen medaille van Naarste Nikswedstrijd van het Jaar ter sprake kwam, zei Jan Mulder plots iets waar mijn hart een koprol van maakte.
Het had iets, zwijmelde de beroepszwijmelaar. De schoonheid van een amateurwedstrijd.
‘Zondagmiddag, als je over de snelweg rijdt, dan zie je zo’n veldje en een corner of een bal door de lucht. Ben je al blij. Dat had het wel, vond ik.’
Ik rijd (of: laat me rijden) zelf ook wel eens op zondagmiddag over de snelweg. Soms zie ik een bal door de lucht, of een corner. Van mij neemt op dat soort momenten altijd een onberedeneerde jaloezie bezit.

Drie pupillenteams
Alleen mensen die betreurenswaardig laag gevoetbald hebben, weten dat er weinig gaat boven een wedstrijd op een zondagmiddag. Liefst met zon en jagende wolkenluchten en dan in de tweede helft plots een regenbui, even heftig als kort, die de bal over het gras laat glijden en die uitnodigt tot slidings – je tackelde niet, je maakte slidings, meer voor het gevoel van het modderglijden dan om de bal te veroveren.
Aan de bal kleven sprietjes.
Je voetbalkous flubbert als een verfrommeld tapijtje door je voetbalschoen, maar tijd om hem recht te trekken, gun je je niet.
Er zit zoveel zuurstof in de lucht dat je eindeloos zou kunnen doorrennen.
De spits die er al weken geen zin meer in heeft, verprutst de ene kans na de andere, maar je blijft rennen. Om de zege, om het team, maar vooral om het rennen zelf.
Nooit stomen de douches zo overvloedig als op die dagen.
Dit soort wedstrijden, dat zijn de momenten die het geheugen aan je prijsgeeft als je op zondagmiddag over de snelweg rijdt.

Maar het zijn ook alleen mensen die betreurenswaardig laag gevoetbald hebben die weten dat er ook andere wedstrijden bestaan. Wedstrijden waarin de eerste pass onder je voet doorrolt, waarin je na vijf minuten vreselijk in het gras trapt en de rest van de middag de neiging om over je beurse teen te wrijven moet onderdrukken. Wedstrijden waarin het veld stroef is als een blind date, of waarop een bal vochtig van halfbevroren dauwdruppels een brandplek op je bovenbeen stempelt. Wedstrijden waarin je negentig minuten loopt achter dingen waarvan je vermoedt dat het feiten zijn, op vreemde velden waar een onverlaat een sloot achterlangs gegraven heeft, met kleedkamers die je moet delen met drie pupillenteams en douches waarvan de druk halverwege wegvalt.
En langs het veld een trainer die ‘Kom op, ga door!’ roept.
Wedstrijden waar geen eind komt.
Zo’n wedstrijd was het gister, op Woudestein. Als een trap in de grond. En zelfs daarin zit een soort schoonheid.
Je moet het willen zien.