Waarom de verengelsing van onze taal een zwaktebod is

De nieuwste editie van de grote Van Dale is gepresenteerd, en hij staat weer eens vol met nieuwe woorden, uitdrukkingen en termen overgenomen uit het Engels. Op het wereldtoneel staat Nederland nog altijd in de schaduw van VS, en in aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen kan Ricus van der Kwast niet anders constateren dan dat de verengelsing van het Nederlands verwoed doorzet.

UPDATE 21 oktober: Amper een week nadat ik me bezorgd afvroeg hoe hedendaags mijn Hollands in den vreemde nog was, word ik op mijn wenken bediend. Het Vlaamse dagblad de Standaard organiseerde afgelopen week, in samenwerking met Radio 1 en de Universiteit Gent, een online taaltest om te zien hoe modern je Nederlands is en wat je taalleeftijd is. Het eerste deel, Hoe chill is uw Nederlands, test je kennis van nieuwe woorden, terwijl het tweede deel (Hoe groovy is uw Nederlands?) je woordenschat per decennium vanaf 1960 test. De eerste conclusies zijn dat je, eenmaal de 40 voorbij, moeite hebt met het opnemen van nieuwe woorden, dat Nederlanders even goed scoren als Vlamingen (niet onbelangrijk in deze tijden van voetbalvernedering) en dat 38% van de deelnemers Nederlandse alternatieven wil voor Engelse leenwoorden (maar doe er dan wat aan, zou ik zeggen) .

En ik, hoe bracht ik het er vanaf? Ik ben een tevreden man: mijn Nederlands is helemaal bij. Omdat ik weet wat oxi, phubbing en flashmobs betekenen. Meer woorden verklap ik niet. Doet u vooral die test – het is een aanrader.

Daar sta je dan, in je zelfgekozen ballingsoord. Je gaat er prat op hoe je Nederland en het Nederlands van een afstandje volgt, hoe je nog steeds Nederlands in je slaap spreekt. Maar de afstand groeit. Er ontspruit een zin aan je brein. Ineens word je door panische twijfel bevangen. Is dit wel Nederlands? Je spreekt de zin hardop uit. Hoe vaker je dat doet, des te meer komt die zin je vertrouwd en tegelijk vreemd voor. Dat helpt dus niet. Googlen helpt al evenmin. Hoe weinig Googlehits moet een woord, zin of uitdrukking hebben voordat je veilig mag concluderen dat het onzin is? Al is het onderwerp van de zoekopdracht nog zo zeldzaam, verhaspeld of fout gespeld, Google vindt de treffers wel. Ondertussen ben je bang dat je twintigste-eeuws Nederlands gebruikt, dat je zo begint te klinken als de personages uit de jongensboeken van je vader, waar mensen elkaar prentbriefkaarten toestuurden, van lotje getikt waren en, als ze echt kwaad waren, elkaar voor lamme schobbejak of mispunt uitmaakten. Af en toe sla je de plank dan ook gewoon mis. “Het lijkt mij aangebracht” klinkt je volslagen normaal in de oren, maar los van een handvol germanofielen sta je alleen. Dit keer overtuig je jezelf. Ontspruiten aan je brein is gewoon Nederlands.

Jij spreekt toch nog normaal Nederlands, zeggen bevriende landgenoten soms tegen me. Dat compliment heeft vaak een verwijtende ondertoon. Taalvaardigheid wordt dan gelijkgesteld met de snelheid waarmee je je eigen taal in het buitenland afleert. Ik heb me altijd afgevraagd of je Nederlands in den vreemde zuiverder wordt, of juist verwatert. Paradoxaal genoeg neig ik naar het eerste. De locale accenten, de taalmodefratsen, je schudt ze van je af, je wordt er niet langer aan blootgesteld.

Veel van die taalmodefratsen, van de invloeden die onze taal ondergaat komt op conto van Amerika. Het is allemaal Amerika wat de klok slaat. Amerika heeft macht, heeft pathos en snelheid. Dat was al zo toen ik er woonde, nu een eeuwigheid geleden, en het is nog zo. En er zijn momenten en periodes waar je verhevigd met de neus op de feiten gedrukt wordt. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van de voorbije week toont dat weer eens. Terwijl onze Koning na vooral veel wandelgangen als nummer 14 op de sprekerslijst gemanoeuvreerd wordt en zich keurig aan de hem toegemeten tijd houdt, speecht Obama 30 minuten te lang in het hoofdprogramma. Wij kijken daar verlekkerd naar. Waren wij maar zo belangrijk! Hoewel we ons openlijk als rebellerende pubers afzetten tegen de veramerikanisering van onze samenleving, zijn we stiekem mateloos gefascineerd en laten we alles van wat over de oceaan komt gulzig op ons inwerken.

Ook de aanloop naar de Amerikaanse verkiezingen houdt ons meer bezig dan onze landelijke politiek. We veren verontwaardigd, maar ook vermaakt op als er wat weer Trumpgeschal klinkt. En vice-president Joe Biden is een verhaal apart. Stelt hij zich kandidaat voor de verkiezingen of niet? Biden baadt zich breed grijnzend in de populariteit, in zijn status als kansrijke kandidaat voor verkiezingen waar hij misschien nooit aan mee gaat doen. Het liefst zou hij ook nooit een beslissing willen nemen en nog enkele jaren zo door willen gaan. Maar de tijd dringt: elk moment kan hij, moet hij zijn besluit kenbaar maken. Geef toe, de discussie over het PvdA-lijsttrekkerschap steekt daar wat bleekjes tegen af.

Een onvermijdelijke bijwerking van die aandacht voor Amerika lijkt daarbij dat we overstroomd worden door semi-Nederlandse, halfslachtig vertaalde Amerikaans-Engelse berichtgeving. Mag ik wat berichten van de laatste dagen in één zin samenvatten ?

‘In bulletpoint-achtige statements geeft senator Clinton haar visie op het disfunctionele Washington en de excessen op Wall Street, in de hoop zo haar campagne momentum te geven en haar favorability rating te verhogen met oog op de caucus in Iowa en de primaries, aldus de pundits.’

Hoe vaker je dit soort zinnen en termen leest, des groter is de kans dat één van die woorden blijft hangen, dat pundit of primary als Nederlands gezien wordt.

De grootste invloed van Amerika op ons heeft is niet politiek, economisch of militair van aard, maar cultureel, linguïstiek. Dat is vreemd, en degenen die zich daar het meest over zouden verbazen zijn de Amerikanen zelf, behept als ze juist zijn met een cultureel minderwaardigheidscomplex tegenover het oude Europa.

Wat zou Arie Elshout van dat alles vinden? Tot enkele weken terug had ik nog nooit van hem gehoord, wat waarschijnlijk iets zegt over mijn afstand tot Nederland. Elshout is vijf jaar correspondent geweest voor de Volkskrant in de Verenigde Staten en zet daar net een punt achter. Zijn hoofdredacteur zwaaide hem uit en lof toe in zijn wekelijkse commentaar en heeft hem in de gelegenheid gesteld een afscheidsartikel te schrijven. Omdat hij zo mooi kan schrijven. Dat is grappig, want Elshout was juist vanwege dat schrijven een paar weken eerder op mijn netvlies verschenen met een artikel over de bedreiging die Joe Biden kan vormen voor Hillary Clinton.

Zijn afscheidsartikel, Mooi, lelijk, mateloos, meeslepend Amerika, is een nogal haastige compilatie van flarden op zichzelf staande Amerika-ervaringen. Elshout heeft het zelf over een Babylonische berg materiaal van notities, over steeds hogere stapels prints en knipsels waar hij iets mee wilde doen. Heel sympathiek: ik herken dat maar al te goed. Bij mij zijn het verhuisdozen. Ik koester mijn verhuisdozen. Ze zijn al jaren ongeopend, maar ik kan me er niet toe zetten ze weg te gooien, uit angst dat de weliswaar vergeten, maar ongetwijfeld briljante ideeën erin dan definitief verloren zijn.

Een beter beeld van Elshout’s schrijfstijl geeft zijn artikel Is vicepresident Joe Biden een gevaar voor Hillary Clinton? Dat artikel, meer nog dan zijn afscheidsverhaal, kan prima gebruikt worden om de ontwikkeling van onze taal te laten zien aan de denkbeeldige twintigste-eeuwer die vandaag voor het eerst deze eeuw Nederlandse taalbodem betreedt. Juist omdat Elshout zo verschrikkelijk zijn best doet, omdat hij al schrijvend het onderste uit de kan wil halen. Alles zit erin.

Allereerst is er de kleurrijke beeldspraak die Elshout gebruikt. Hij doet dat veelvuldig en het maakt zijn beschouwingen prettig leesbaar. Een bloemlezing?

Als Hillary pogingen doet om volkser en spontaner over te komen, dan klinkt dat ‘heel geforceerd, zoals een kind bij het afzwemmen driftig korte slagen maakt om niet kopje-onder te gaan. Hillary is nog ver verwijderd van de soepele borstcrawl waarmee Bill de menigtes doorklieft.’
Dat klinkt inderdaad heel geforceerd, maar ik vind het wel beeldend, die soepele borstcrawl waarmee de menigtes doorkliefd worden.
Minder gecharmeerd ben ik ervan als socialisten in Amerika volgens hem net zo zeldzaam zijn ‘als een poolreiziger aan de evenaar’. Die poolreiziger is mij te beweeglijk, en waarom dan niet gewoon eskimo’s aan de evenaar ? Een pareltje is daarentegen zijn opmerking over Amerika: ‘Amerika is geen staartdeling die op zo’n perfect ronde nul uitkomt’. Het klinkt heel mooi. Dat het nergens op slaat is een ander verhaal. Geen getal is beter gedefinieerd dan pi, al komt er dan geen eind aan. Helemaal wars van een vleugje mode is Elshout overigens niet. De hang van Biden naar het melodramatische ‘kan soms ook te veel en te vet worden.’ Te vet. Cool dude.

Dan zijn er de Engelse uitdrukkingen en woorden die we klakkeloos en onvertaald overnemen. Meestal zetten we daar eerst nog wat verlegen aanhalingstekens omheen totdat de woorden zo zijn ingeburgerd dat die veilig weggelaten kunnen worden. Veel hebben we hier aan de computerwereld, aan de informatie- en communicatietechnologie en, in het kielzog daarvan, de sociale media te danken. We deleten, editen en pasten er al een paar decennia flink op los. Sinds jaar en dag worden we vergast op hashtags, tweets en likes, en swipen we dat het een lieve lust is. Als Elshout het heeft over de beweegreden voor Joe Biden om wellicht alsnog te kandideren voor het presidentschap, dan zegt hij ‘zijn stervende zoon pushte hem’. Keurig vervoegd: pushen, pushte, gepusht.
Wanneer laten we dat kofschip trouwens eens zinken en dat al dan niet sexy fokschaap afschieten?

Ook zitten er de uitdrukkingen in die we letterlijk uit het Engels, alweer, vertalen. Anglicismen noemen we dat niet meer. We hebben het nu over lenen, maar het is onduidelijk wat we teruggeven, óf we ooit wat teruggeven. Het zijn uitdrukkingen die geruisloos hun intrede hebben gedaan en inmiddels niet meer weg te denken zijn. ‘Seks hebben met’ vind ik zo’n uitdrukking. Iedereen heeft het nu, maar in de vorige eeuw had je geen seks: je vrijde, of vree, neukte, of naaide. Je had alleen geslachtsgemeenschap, maar nogmaals: je had geen seks. Zo goed als we nu nog geen liefde maken. Wat maken we inmiddels wel op zijn Engels? We maken een punt en niet te vergeten een miljoen, dat zegt Elshout ook. Elders zegt hij “Voor het moment lijkt niets meer te gek.”. Dat hoor je nu met de regelmaat van de klok. Het is alsof ik een hippe late night talk show host hoor praten. Voor nu, lekker slapen allemaal.

Voor, onder, op, veel heeft te maken met voorzetsels. Elshout laat zich hier niet onbetuigd.

‘Maar vorige week was het nieuws dat ze (Hillary Clinton – RvdK) in sommige peilingen ‘onder water’ is.’
Hij mag het dan tussen aanhalingstekens zetten, ik begrijp gewoon niet wat dat betekent, onder water zijn. Under the weather, under the radar, under your skin, under your breath, under the table, allemaal in orde. Maar under the water? Verdrinkt ze? Dat is dramatischer dan een paar percentpunten achter liggen in de peilingen. Of houdt ze zich juist koest onder de waterspiegel om straks met veel bombarie te verrijzen uit dat water? Beats me.

Beau, de in mei aan een hersentumor overleden oudste zoon van Biden, zou zijn vader op zijn sterfbed hebben gesmeekt op te gaan voor het presidentschap.’
Opgaan voor het presidentschap. Een contaminatie à la opnoteren, maar dan van iets wat in de basis al een anglicisme is (gaan voor)?

Als er één taal is die zich steeds moeilijker laat grijpen naarmate je er dieper in doordringt, dan is het wel het Engels. En één van de meest glibberige terreinen is daarbij het gebruik van de juiste voorzetsels. The mouse is in, at or on the box: wie zal het te zeggen? Wij Nederlanders deinzen er in ieder geval niet voor terug om hele Engelse uitdrukkingen met voorzetsel en al rücksichtslos vertaald over te nemen.

Er is natuurlijk helemaal niets mis met lenen uit een andere taal. We hebben het altijd gedaan en zullen het altijd blijven doen. Hoed je hooguit voor valse vrienden: een vrouw die embarazada (zwanger) is in het Spaans hoeft daarvoor helemaal niet imbarazzata (beschaamd) te zijn in het Italiaans. Verder kan lenen je taal verrijken, daar verfijnen waar het nog een nuance kan gebruiken. De vraag is waarom we ons nu zo eenzijdig op het Engels richten. Ik zou willen kokkolaren als een Italiaan, lachen om het skurriele leven met de Duitsers, de wind in de poep willen hebben met de Franstaligen en de doordeweekse dagen willen nummeren als een Portugees.

Waarom dan alleen Engels? Niet omdat we er zo zeldzaam goed in zijn, al ken ik geen Nederlander die niet van zich zelf vindt dat hij vloeiend Engels spreekt. Veel, maar niet alles wordt verklaard door onze verborgen fascinatie voor Amerika. Een andere factor is natuurlijk de snelheid waarmee we overstelpt worden met Engelse termen voor nieuwigheden waarvoor vervolgens de tijd ontbreekt om een Nederlands alternatief te verzinnen. Wij zuigen die termen op als een spons die snel verzadigd raakt en er op wacht om weer uitgeknepen te worden. Veel van die uitdrukkingen zullen weer verdwijnen met de media die ze gegenereerd hebben. Over vijf jaar gaat er niets meer viraal. Zo bezien is die verengelsing van onze taal geen verrijking, maar een zwaktebod, een tijdelijke oprisping.

Maar minstens zo belangrijk is ons eigen onvermogen. Multitasken mag dan in zijn, zodra er meer dan één vreemde taal op ons inwerkt laat ons brein ons lelijk in de steek. Daarom laten we de mogelijkheden in een wereld die talen en culturen dichter bij brengt dan ooit onbenut. Dat is geweldig jammer. De slotsom is dan evenwel dat we ons beter kunnen concentreren op de enige taal die we echt vloeiend zouden moeten spreken: Nederlands.

Arie Elshout heeft zijn tijd erop zitten. De koffers zijn gepakt, zijn afscheidsartikel besluit hij met: ‘Wij verlaten Amerika, maar Amerika verlaat ons nooit’ En daar heeft hij dan weer helemaal gelijk in. Over Amerika, maar ook over Nederland en taal zou ik best eens een boom met hem willen opzetten. Kunnen we tegelijk ons Nederlands weer wat opbrushen.

Ricus van der Kwast