Bert Wagendorp was slechts de seksistische druppel

Ik was dol op al mijn voormalige thuiszorgoudjes, vooral vanwege hun creatieve fonetische oplossingen om een gebrek aan talenkennis te verhullen: klis en kler (Crystal Clear), Bonneroes (Moulin Rouge), minoliolie (mineola). Maar ook al zag ik ze tijdens mijn studie vaker dan mijn vrienden en familie, er bleef altijd een onoverbrugbare generatiekloof bestaan die ik tegelijkertijd stuitend en fascinerend vond.

“En je vriend dan?” vroeg de vrouw des huizes in plat Utregs toen ik een paar dagen naar Parijs ging. “Moet die dan voor zichzelf zorgen?” Haar man, die versmolten leek met een bruine ribfluwelen leunstoel, keek met lichte paniek in zijn ogen op van zijn kruiswoordpuzzel. Dat de twee al sinds de jaren vijftig getrouwd waren stelde me enigszins gerust, net als dat ze destijds geen carrière in de media ambieerden en derhalve geen actrices, vrouwelijke topsporters of hoogleraren Internationale Betrekkingen hoefden te portretteren of interviewen. Maar ook progressieve journalisten (m/v) die met beide benen in de moderne samenleving staan, laten zich nog weleens verleiden door volhardende stereotypes van vlak na de oorlog. (Hoe combineer je dat eigenlijk, zo’n carrière en twee bloedjes van kinderen – prachtige ogen heb je trouwens Beatrice – en wat is het geheim van je boeuf bourguignon?)

Eerder dit jaar werd de hashtag #AskHerMore in het leven geroepen omdat actrices het beu waren om op de rode loper vooral naar hun jurk en amper naar hun werk gevraagd te worden. De hashtag #CoverTheAthlete ontstond als protest tegen de seksistische vragen over lichaam en liefdesleven die vrouwelijke topsporters bovengemiddeld vaak krijgen, ook al zijn ze nog zo snel en sterk. Barry Atsma kon het tijdens de uitreiking van de Viva400, een prijs voor vrouwelijk talent, naar verluidt bijna niet geloven dat voetbalinternational Daphne Koster een baby én een carrière heeft.

Eerder dit jaar vroeg een interviewer aan Franka Treur of ze vanwege haar reis naar Ierland, waar ze met een groep andere schrijvers in een kasteel van een Amerikaans echtpaar zou verblijven, ‘meisjesachtige dingen ter voorbereiding’ had gedaan, zoals ‘benen ontharen en snor harsen.’ Ik durf mijn aanrecht erom te verwedden dat de twee mannelijke schrijvers die na Wagendorp-gate in de pen klommen om de protesterende vrouwen van kwalificaties als humorloos te voorzien, op zijn minst een wenkbrauw op zouden trekken als ze tijdens een interview naar de status van hun rughaar gevraagd zouden worden. Nu is het sowieso nog maar de vraag wie in deze kwestie humorloos genoemd moet worden: de bedenker van een nogal matige grap of degene die er niet om kan lachen.

Hoewel Bert Wagendorp zijn veelbesproken lofzang op Beatrice de Graaf eindigde met een tenenkrommend stukje huis-tuin-en-keukenseksisme – ‘Hoe houdt hij het vol?’ vroeg de Volkskrant-columnist zich af, refererend aan die arme ondergesneeuwde drommel van een meneer de Graaf – was de bagger die hij over zich heen kreeg enigszins buiten proportie. Als Willibrord Frequin een seksistische column schrijft, rolt iedereen één keer met zijn ogen alvorens over te gaan tot de orde van de dag. Een verloren zaak, dat soort types. Maar iedereen weet best dat Wagendorp de kwaadste niet is. Daarom was juist zíjn pannenlappengrap de druppel die de emmer deed overlopen.