A Christmas Carol

Het vroor dat het kraakte in de straten. De gure wind van het maatschappelijk debat blies gepolariseerde regendruppels tegen de ruiten en jankte in de schoorstenen.
Het was stil op straat. Een van de weinige figuurtjes die zich in het spookachtige licht van de lichtreclames van Sting en CoolCat voortbewoog, was Ebenezer Soccer. ‘Het Voetbal’ voor vrienden, maar zo noemde eigenlijk niemand hem. Hij liep voorover, leunend tegen de tegenwind. Ebenezer was op weg naar zijn kantoor, van waaruit hij het gehele internationale voetbal bestierde.

‘Heeft u wat voor de armen, meneer Soccer?’ Ebenezer zag een hand uit een steeg komen. Er zat een man vast aan die hand, een kleine, onooglijke man. In zijn hand lagen enkele munten, bijna waardeloos.
‘De armen?’ vroeg Soccer.
‘Sport voor de armen,’ zei de man zacht. Zijn hand ging zachtjes op en neer, de munten maakten het rinkelende geluid waar Soccer zo van hield. ‘Waterpolo, handbal, judo, hockey.’
‘Hockey voor de armen?’ zei Soccer. ‘Quatsch!’ Hij wilde doorlopen maar de man hield hem tegen.
‘U kunt ook de uitzendrechten kopen, meneer Soccer. Ik heb ze van bijna alle armensporten.’
‘Wat moet ik met die rechten?’
‘Die kunt u gebruiken.’
‘Levert niks op. En als het niks oplevert, hoef ik het niet te hebben.’
Soccer duwde de man opzij en beende verder naar zijn kantoor, dat was gevestigd in een onooglijke torenflat aan de rand van het zakendistrict.
‘Een heel vrolijke Kerst, meneer Soccer,’ zei Cristiano Cratchit opgewekt. Cratchit was Soccers enige vaste medewerker. Hij was een alleenstaande vader die erg hard werkte voor het bedrijf van Ebenezer. Ondanks zijn lange dagen en zijn bescheiden salaris van ongeveer 25 miljoen was Cristiano altijd opgewekt.
‘Het is geen vrolijke Kerst,’ antwoordde Soccer. ‘Vrolijk? Wat heb ik aan vrolijk? Vrolijk levert niks op.’ En hij verdween in zijn kantoortje. Hij moest de winst van de merchandise nog bij die van de Chinese markt optellen en daar had hij stilte voor nodig. Wat hem betrof werd Kerst vandaag nog afgeschaft. Een weekend zonder voetbal was een weekend zonder inkomsten en een weekend zonder inkomsten had wat hem betreft geen enkele zin. Het was dat ze in Engeland nog doorvoetbalden, anders verhing hij zich aan de eerste de beste feestboom.
Er werd zacht geklopt.
‘Wat nu weer!’ gromde Soccer.
De deur ging zachtjes open en het ontblote bovenlijf van Cristiano Cratchit verscheen.
‘Sorry dat ik u stoor meneer,’ fluisterde Cristiano, ‘maar er zijn twee heren voor u.’
‘Wie?’
‘Ze zeggen dat ze Jansma en De Mos heten. Ze collecteren voor iets wat ADO heet. En ze verkopen Chinese wenskoekjes en zelfgebreide ADO-mutsen.’
Zuchtend stond Soccer op. Ieder jaar hetzelfde, mompelde hij. Ieder jaar rond de Kerst kwamen ze bij hem om geld bedelen. Geld dat ze vaak eerst vrijwillig aan hem hadden gegeven, in de hoop er meer van te maken. En nu dat niet lukte, wilden ze het terug.
‘Zeg tegen ze dat ze terug mogen komen als ze die club willen verkopen. Ik hoef geen wenskoekjes. Dromen leveren niks op. En laat die Jansma zelf zo’n muts opzetten.’
De deur ging dicht en de rest van de middag besteedde Ebenezer Soccer aan het optellen van verschillende winsten op een oude Casio rekenmachine. Voor zich lagen twee schriften: een zwart met wit geld en een wit met zwart geld.

De Ajax-klok aan de muur had al zes geslagen toen Cristiano Cratchit kwam vragen of hij vandaag wat eerder naar huis mocht, ‘vanwege dat het Kerstavond is, meneer.’
‘Kerstavond? Wat heb ik aan Kerstavond?’ vroeg Soccer.
‘Mijn zoontje en ik gaan vanavond naar een film over mijn leven, meneer Soccer.’
‘Betalen om jezelf te zien? Quatsch.’
Cristiano verdween en liet zijn baas alleen met zijn Casio.
Een uur later ging Cratchit naar huis, naar bikinimodel en kind.
‘Fijne feestdagen,’ riep hij, toen hij de deur achter zich dichtsloeg.
‘In Nederland vieren we Kerst,’ riep Ebenezer Soccer terug, maar dat hoorde zijn werknemer al niet meer.
Enkele uren later hield Soccer het voor gezien. Hij doofde alle lampen en verliet het kantoor. Nu was het helemaal stil op straat. Mensen zaten allemaal ergens aan tafel en, dacht hij met lichte walging, aan elkaar. Ze waren in ieder geval allemaal met iets bezig wat hem niets opleverde.
Nu had hij wind mee. Het was de storm van economistisch opportunisme die hem naar huis blies. Hij ging in een keer door naar bed, om maar zo weinig mogelijk energie te verspillen.
Bij het schijnsel van een Kaars (Dennis) las Ebenezer Soccer nog een paar pagina’s bladzijden in de Voetbal International en viel toen in een diepe, droomloze slaap van de man met meer energie dan moreel besef.

De Geesten
Hoe lang had hij geslapen? Tien minuten? Een uur? Langer?
Ebenezer Soccer werd wakker van een zacht rinkelend geluid in het trappenhuis. Eerst dacht hij dat hij met een financieel gunstig gerinkel te maken had, maar al snel herkende hij het geluid van kettingen die worden voortgesleept.
Het gerinkel kwam dichterbij. De trap op. Richting de deur van de slaapkamer.
De deurklink werd naar beneden gedrukt…
Door de kier van de deur glipte een witte schim die Ebenezer ook zonder bril herkende.
‘Sepp! Sepp Blatter! Wat doe jij hier?’
Sepp Blatter en Ebenezer waren lang partners geweest. Samen hadden zij het Soccer-bedrijf gerund en allebei hadden ze meer geld verdiend dan ze ooit zouden kunnen opmaken. Na een fatale val van Sepp had Ebenezer de zaak alleen doorgezet. Hij had nog vaak aan zijn oude zakenpartner gedacht, maar niet te lang, want gedachten aan wat was geweest, leverden niets op.
De schim van Blatter zweefde naderbij, tot voor het houten hemelbed. Ebenezer zag dat er aan zijn rechtervoet een ketting zat, met een bal eraan.
‘Ebenezer,’ galmde Blatter langgerekt, ‘Ebeneeeeezzzeeeer.’
‘Praat maar normaal, Sepp,’ zei Ebenezer Soccer.
‘Ik kom je waarschuwen, Ebenezer,’ zei Blatter, op de toon van de ervaren deurwaarder, ‘vannacht krijg je bezoek.’
‘Ik krijg nooit bezoek. Bezoek koopt geen kaartjes. Bezoek sluit geen abonnementen af.’
‘Bezoek,’ ging Blatter onverstoorbaar verder, ‘van drie geesten. Luister goed naar ze. Luister goed naar ze!’
‘Wat is dat voor bal aan je voet? Is dat de nieuwe WK-bal?’
‘Die bal,’ begon de geest van de voormalige FIFA-voorzitter verstrooid, ‘die bal is mijn lot. In die bal zit het grootkapitaal.’
‘Laat eens zien dan,’ zei Ebenezer begerig.
‘Niet echt het grootkapitaal,’ antwoordde Blatter, ‘maar overdrachtelijk. Je hebt zeker nog nooit van een parabel gehoord?’
Ebenezer Soccer schudde zijn hoofd. Een parabel klonk hem niet erg winstgevend in de oren.
‘Een parabel, beste Ebeneeeezzzzer, is het soort verhaal dat eigenlijk iets anders wil zeggen. En in die parabel is deze bal, deze kunststoffen Adidas-knikker, het grootkapitaal. En ik zal voor eeuwig met die bal moeten ronddolen. Wij zijn tot elkaar veroordeeld! Voor eeuwig!’
De schim draaide zich om – voor zover schimmen zich moeten omdraaien – en loste op in de duisternis. Ebenezer zuchtte. Hij had die tweede halve aardappel niet moeten eten, dacht hij, een volle maag leverde maar tevredenheid en rare dromen op. Dromen van Sepp Blatter met een bal aan een touwtje. En net wilde hij weer gaan liggen toen er tegen zijn slaapkamerraam werd gebonsd.
‘Hallo?’ riep Ebenezer. ‘Wie is daar?’ Hij stapte uit bed en probeerde naar buiten te kijken. Het enige wat hij zag, was een enorme rookwolk. Zodra hij het raam van de knip haalde, walmde de rook zijn slaapkamer binnen.
‘Zo, dat werd tijd.’ Uit de dampen steeg het gezicht op van een man van minstens honderd jaar, een gezicht met een snor als een bezem en ogen die tot volle ontevredenheid alles al twee of meer keer hadden gezien. Uit de mond, die als een betreurenswaardige brievenbus in de onderste helft van het gezicht gemetseld leek, stak een sigaar van een halve meter. ‘Meneer Soccer, neem ik aan? Johan Derksen, aangenaam. Ik ben de Geest van het Verleden. Niet dat u daar nou zo geweldig van onder de indruk moet zijn. Het is natuurlijk allemaal van een onthutsende flauwekul. Ik schnabbel nu zo’n 45 bij, maar dit moet wel de treurigste klus zijn die ik in al die tijd heb aangenomen. Het is dat ik drie keer getrouwd ben geweest – iets wat ik iedereen kan afraden – en ik dus al dat zakgeld goed kan gebruiken, maar de dag dat dat niet meer nodig is, ga ik alleen nog maar kuntriemuziek luisteren en sigaren roken.’
‘Neemt u me nu mee naar een kerst uit mijn verleden?’ vroeg Ebenezer Soccer bezorgd, want hij was niet altijd zo rijk geweest en hij zag ertegenop terug te keren naar een tijd waarin zijn bedrijf nog geen big business was.
‘Dat lijkt me allemaal schromelijk overdreven, het blijft toch allemaal satire dit. Ik ben door een heel leuk vrouwtje gevraagd om hier een uurtje te komen verkondigen dat vroeger alles beter was, dus dat doe ik dan.’
Ebenezer Soccer herademde: ‘Het gaat beter dan ooit met het voetbal.’
‘Dat kun jij nu wel zeggen,’ mompelde de Geest van het Verleden vanonder zijn snor, ‘maar daar ben ik helemaal niet van onder de indruk. Jij was vroeger trouwens ook veel beter. Toen straalde er nog wat plezier van je af.’
‘Voor plezier kan ik geen brood kopen,’ zei Ebenezer Soccer.
De Geest van het Verleden zuchtte zwaar. ‘Jij kunt inmiddels meer broden kopen dan je in de rest van je leven kunt opvreten, maar veel lol heb je er niet aan. Jij runde vroeger een fijn bedrijf, maar daar is niets meer van over. Net als van jezelf trouwens.’
Er gleed een ijzige windvlaag door het raam en het volgende moment was Johan Derksen verdwenen. Vermoedelijk op weg naar een volgende schnabbel.
Ebenezer Soccer lag nauwelijks in bed toen zijn telefoon . Even overwoog hij in bed te blijven, diep onder de dekens, niet op te nemen, nooit meer op te nemen, maar het American Beauty-deuntje bleef maar tumtumtumtumtumtuddedum doen.
‘Hallo?’ vroeg Ebenezer zachtjes.
‘Soccer? Raiola hier. Ik ben aangesteld als jouw Geest van het Heden en ik zou je graag wat laten zien. Ik breng nu eerst nog even een jongen van FC Den Bosch naar Juventus, maar laten we over tien minuten afspreken voor het huis van die arme werknemer van je.’
‘Cratchit?’
‘Heb je nog andere werknemers?’
Raiola hing op. Ebenezer kleedde zich aan, kamde zijn haren en ging op pad. Cristiano Cratchit woonde in een armzalige villa aan de rand van de stad. Ebenezer realiseerde zich dat hij nooit eerder bij zijn werknemer thuis geweest was, maar liep er desondanks zonder aarzelen naartoe. Hij had ook een taxi kunnen nemen, maar ja, dat leverde niets op.
Aan het begin van de oprijlaan stond Mino Raiola hem al op te wachten.
‘Ben je daar eindelijk? Ik moet vannacht nog drie jongens naar China brengen, en eentje naar Roda JC. Tijd is geld.’
Ebenezer Soccer glimlachte tevreden. Dit was een geest met wie hij uit de voeten kon.
‘Wat wil je me laten zien?’
‘Kijk,’ wees Raiola, ‘als je door het hek kijkt, kun je het zien.’ Ebenezer keek in de richting waarin Raiola wees. In de verte zag hij Cristiano Cratchit in een klein onderbroekje op de bank liggen. Voor hem op het kleed speelden zijn kinderen. Twee zoontjes en een snoezig dochtertje. Ze deden sit-ups.
‘Waarom heeft Cratchit alleen maar een onderbroekje aan?’ vroeg Ebenezer aan Raiola.
‘Omdat hij reclame moet maken voor onderbroeken. Omdat hij van jou maar een luizige vijf miljoen krijgt overgemaakt. Terwijl hij thuis drie monden te voeden heeft,’ zei Raiola, terwijl hij snel een sms verstuurde.
Ebenezer knikte. Binnen stonden de kinderen op.
‘Hoe heten die schatjes?’ vroeg hij.
‘Die kleine, dat is Lionel,’ zei Raiola, ‘en dat meisje met die blonde krulletjes, dat is Antoine Griezmann.’
‘Gekke naam voor een meisje.’
‘Nee, Ebenezer is lekker normaal.’
‘En wat is er met die kleine vent?’ Ebenezer wees op de oudste zoon van Cristiano Cratchit, die met zijn voet in het verband zat en naar de reusachtige Amerikaanse ijskast hinkte.
‘Dat is de kleine Arjen,’ zei Mino met een stem als een rasp, ‘die is altijd geblesseerd. Het is maar helemaal de vraag of…’ Hij maakte zijn zin niet af.
‘Wat?’ vroeg Ebenezer wanhopig. ‘Het is maar helemaal de vraag of wat? Raiola? Waar ben je? Raiola?!’
Maar Raiola was verdwenen. Net zoals het huis van de Cratchits verdwenen was, en het hek en de oprijlaan. Ebenezer Soccer stond plots op een gure vlakte, waar de wind vrij spel had. Waar ben ik, dacht Ebenezer Soccer. Wat doe ik hier? In de verte zag hij een gedaante in de schemering en hij rende erheen.
‘Hallo? Mag ik u wat vragen? Weet u of hier ergens een bushalte in de buurt is? Of mag ik even van uw telefoon gebruikmaken?’
De gestalte schudde het hoofd en zweeg.
‘U ook prettige kerst,’ mompelde Ebenezer beledigd. ‘Maar weet u dan misschien waar we hier zijn? Is dit de plek waar de nieuwe Kuip wordt gebouwd?’
Weer dat hoofdschudden. De gestalte wees op een stuk braakland, en Ebenezer zag nu pas dat overal op de vlakte kleine stenen uit de grond staken. Hij boog zich voorover om een van die stenen te bekijken en schrok. Nummer 14, stond er. Maar da’s logisch.
‘Is… is dit… is dit de toekomst?’ vroeg hij.
De gestalte knikte en wees nog eens, naar een andere steen. Weer boog Ebenezer zich voorover. De steen stond voor een openliggende kuil, en Ebenezer moest zijn ogen samenknijpen om te lezen wat er gegraveerd stond.
Soccer.
‘Nee. Nee. Neeneeneeeeeeee!’

Kans
Ebenezer Soccer werd wakker door feestelijk luidende kerkklokken. Sorry: kerstelijk.
Hij krabde op zijn hoofd, alvorens uit bed te springen. ‘Het is Kerst! Het is Kerst! Ik heb het allemaal gedroomd! Geesten bestaan niet en ik lig niet naast Johan Cruijff. Er is nog een kans!’
Hij rende naar buiten, zonder zich aan te kleden. ‘Ik ga allemaal dingen doen die niemand een cent opleveren!’ gilde hij. Zijn stem weerkaatste tegen de omliggende huizen. ‘Ik ga allemaal dingen doen die gewoon alleen maar heel fijn zijn!’
En hij holde de dag tegemoet die later, veel later bekend zou komen te staan als een financiële strop voor het internationale voetbal, maar een afgetekende overwinning voor het plezier.