Ons-kent-ons-land

De vierhonderd kilometer lange Oost-Westverbinding van Suriname wordt opnieuw geasfalteerd. Kunstenaar Marcel Pinas ziet daarin kansen om zijn geboortestreek rond het bauxietstadje Moengo nieuw leven in te blazen. Maar dan moet hij wel de juiste politieke vrienden aanspreken. Over de ongrijpbare x-factor van Suriname

De Oost-Westverbinding is een lange darm door vrijwel alle kustdistricten van Suriname, van Albina in het oosten tot Nieuw-Nickerie in het westen. Het berijdbaar houden van de weg is een voortdurend punt van zorg voor opeenvolgende overheden. Waar een harde zand- of schelpenrits – die een natuurlijke onderlaag vormt voor het asfalt – ontbreekt, verzakt de weg in een ribbelmotief dat nog het meest lijkt op een ouderwets wasbord. In die staat is het wegdek nog goed te noemen.

Vrijwel iedereen in Suriname kan verhalen over een bijzondere ervaring langs de Oost-Westverbinding. Die van mij dateert van medio jaren negentig, kort na de Binnenlandse Oorlog (1986-1992).

Kapotte economie, kapotte weg. Vriend en ik rijden in een krater van een gat. Twee lekke banden, slechts één reservewiel. Niemand op de weg. Na een tijdje nadert er een auto. Harde muziek, geblindeerde ramen, beide inzittenden dragen goud om de nek en om de tanden. Achter het stuur zetelt Ronnie Brunswijk, voormalig leider van het Junglecommando. Wat of er aan de hand is? Wij leggen uit. “No span,” zegt hij, maak je niet druk. Het geblindeerde raam sluit, de koning van het Marowijnedistrict trekt op.

Nog geen uur later komt een andere auto aangedreund. Een boom van een neger stapt uit. Hij hijst een band uit de kofferbak en rolt die naar ons toe. De betaling is geregeld. Welkom in Suriname!

Voor herstel van de Oost-Westverbinding ten oosten van Paramaribo werd nog onder de regering-Venetiaan ontwikkelingssteun gevonden bij de Europese Unie, het Agence Française de Développement (vanwege de connectie met buurland Frans-Guyana) en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank.


Op een bord in de berm ter hoogte van het dorp Tamanredjo staan de werkzaamheden groot aangekondigd. De weg is in drieën geknipt en uitbesteed aan evenveel aannemers: het Nederlandse infrastructureel bedrijf MNO Vervat, in Suriname bekend van dijkenbouw, de Surinaamse aannemer Baitali en het Chinese asfalteringsbedrijf Dalian.

Samen met kunstenaar Ken Doorson ben ik op weg naar het bauxietstadje Moengo voor een bezoek aan de Tembe Art Studio. Tembe is een initiatief van Marcel Pinas, eveneens kunstenaar en begaan met de ontwikkeling van zijn geboortestreek. Die ontwikkeling heeft met de Binnenlandse Oorlog en de afkalving van de bauxietreserves ter plaatse een flinke deuk opgelopen. De geschiedenis van bauxiet in Suriname leest als een verhaal van de Britse schrijver Graham Greene. Over landgenoten die standhouden op tropische buitenposten te midden van een broeierig klimaat, drank en vrouwen.

Bauxiet, dat in Suriname vrijwel aan het bodemoppervlak voorkomt, levert de grondstof voor aluminium, in de Tweede Wereldoorlog een bijzonder kostbaar goed voor de vliegtuigindustrie. Amerikaanse soldaten legerden in Suriname ter verdediging van hun bauxietbelangen; met hun klinkende dollars waren ze populair onder de bevolking. Na de oorlog versurinamiseerde het dochterbedrijf van de Aluminum Company of America (Alcoa) verder in de Suriname Aluminum Company, de Suralco. Met vestigingen in Paranam en Moengo werden hoge omzetten behaald, maar de bauxietmijnen bleken niet onuitputtelijk. Bovendien woedden tijdens de Binnenlandse Oorlog de onlusten rond Moengo hevig.


Wie nu het stadje inrijdt, constateert dat de Amerikaanse droom van weleer als een zeepbel uiteengespat is. Wat ervan rest, is een in de tropen vreemd aandoende surburban architectuur. Bescheiden villa’s omgeven door een lapje gazon, alles onder een laag rode bauxietstof. In de voormalige stafwijk staan enkele villa’s leeg, net als de genummerde houten trailers. Ieder zichzelf respecterend kaderlid is weggetrokken naar waar nog wél te verdienen valt. Casa Blanca, de oude directeurswoning aan het einde van een statig dennenlaantje, staat er afgebladderd bij. Uitgewoond. Spookstad Moengo.

Maar Marcel Pinas wil de ruïnes met kunst nieuw leven inblazen, en ergens ligt dat voor de hand. In een land waar praktisch alles doordrenkt is van politiek hoeft juist kunst geen kleur te bekennen: het is de artistieke gelijkmaker. Volgens Pinas was Moengo in hoogtijdagen een welvarend paradijs. “Mensen kochten auto’s en buitenboordmotoren voor vaartochtjes over de nabije Cotticarivier. En er was gemeenschapszin. Werd er door een jager in de bossen rond het stadje een buffel geschoten, dan nam hij als bewijs een oor van het beest mee terug. Daarop trokken de mannen enthousiast mee de jungle in om de buffel te helpen dragen. De vrouwen zetten alvast grote pannen water op het vuur. Nu is alles anders,” zegt Pinas.

Niet in de laatste plaats vanwege de politiek, want politiek bedrijven is de nationale sport van Suriname. Met Casa Blanca bijvoorbeeld. Pinas zou wel wat met dat gebouw van vergane glorie kunnen: exposities, een kunstgalerie. Stukken beter dan leegstand. Zijn voorstel ligt al een tijdje bij Suralco, maar vooralsnog geen reactie. Hij haalt er zijn schouders over op. Een kwestie van de juiste connecties? Zeker, en toch ook van een ongrijpbare factor X. De Tembe Art Studio, met circa 150 leerlingen, kreeg immers wel toestemming voor vestiging in het leegstaande Suralco-ziekenhuis. Geen licht- en waterkosten, anti-kraak.


Als de Oost-Westverbinding de dikke darm van Suriname is, dan is de politiek de adrenaline die het landshart sneller doet kloppen. Altijd ingewikkeld, die politiek. Op zijn best is die te vergelijken met het religieus verzuilde Nederland uit de jaren vijftig. Suriname kent etnische partijverzuiling: Hindoestaanse, (bosland)creoolse en Javaanse partijen. De Nationale Democratische Partij (NDP) van president Desi Bouterse wil daar een doorsnede van zijn. Een einde maken aan de bittere gal van de oude etnische politiek was de voornaamste verkiezingsdoelstelling.

Toch lijkt na het aantreden van de regering-Bouterse voor de aloude rassenverzuiling een andere verdeling te zijn ontstaan: die van voor- en tegenstanders van de nieuwe regeringsleider. De eerste groep betuigt zijn steun openlijk. De tweede uit kritiek vooral onderling. Slechts af en toe verheft zich een proteststem, wanneer een onverwacht regeringsbesluit wat al te gortig wordt. Bijvoorbeeld het opknappen van de werkkamer van minister Abrahams van Openbare Werken, onder wie ook de asfaltering van de Oost-Westverbinding valt. Kosten: ruim een half miljoen Surinaamse dollar. De renovatie kreeg groen licht zonder openbare aanbesteding; bovendien is de aannemer een goede bekende van de minister. Het laatste geldt ook voor de president en de minister, strijdmakkers uit de periode van de dictatuur. Ons kent ons: het is de kurk waar Suriname op drijft.

Ander schoorvoetend commentaar op de overheid betrof het spontaan uitroepen van nieuwe nationale feestdagen. Ze kwamen uit de lucht vallen: een voor de marrons, een voor het hindoestaanse lichtjesfeest Divali, een voor het islamitisch Offerfeest. Recent kwamen daar bij Chinees Nieuwjaar en de herdenking van ‘revo-dag’, Bouterses staatsgreep uit 1980.


Suriname telt nu zeventien feestdagen. Ter vergelijking: vijf meer dan Brazilië en Frankrijk, zeven meer dan de Verenigde Staten en Nederland. Alle bevolkingsgroepen hun eigen dag. Eenheid in verscheidenheid, het is het stokpaardje van de regering. Het strooien met feestdagen doet het goed bij de achterban van werknemers. Vanuit het werkgevershoekje blijft het echter opvallend stil, een zenuwtrek uit de militaire periode, toen in 1982 vijftien tegenstanders van het bewind om zeep werden geholpen.

Extra feestdagen betekenen voor het bedrijfsleven geen omzet, wel overheadkosten, en dat vorig jaar driemaal in een kwartaal. Bouterse de socialist, met Cuba, China en Venezuela als lichtend voorbeeld.

Toch dringt het besef dat de magere Surinaamse economie dringend impulsen nodig heeft maar al te goed door. Al tijdens zijn eerste buitenlandse bezoek aan de vergadering van de Verenigde Naties in New York maakte de president een ronde langs welgestelde prominenten van divers pluimage. Een Donald Trump, bijvoorbeeld. En een Wyclef Jean, de bekende Haïtiaans-Amerikaanse rapper en weldoener die na de verwoestende aardbeving in zijn geboorteland tevergeefs een gooi deed naar de presidentszetel.

De ontmoeting met Jean ging niet door; de rapper was door stress in het ziekenhuis beland. Wat er concreet met Trump uit de bus kwam, blijft vooralsnog gissen. Wat heeft Suriname de geslepen zakenman die de ‘think big’-theorie aanhangt te bieden? Hout, goud, rijst? Bauxietreserves in ontoegankelijk West-Suriname, waarvan de ontginningskosten wegen niet opwegen tegen de inkomsten? Een oliebron in met buurland Guyana betwiste wateren? Of het tropisch regenwoud? Dan niet als eenmalige houtkapconcessie, maar in de uitverkoop aan de hoogste bieder uit de internationale milieubehoudsector.


Dat op zichzelf aardige plan werd door president Bharrat Jagdeo van buurland Guyana al uitgevoerd, want ook daar ligt kostbaar oerwoud. Maar op ieder goed idee moet een gedegen werkplan volgen, en wie in Suriname neemt hiertoe het initiatief? Iemand van het slaperige ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer? Of dat van Handel en Industrie?

Dan toch maar weer kennis uit Nederland halen? Nee! Onder Bouterse, dat nooit. Hij heeft genoeg van de betutteling en bemoeienis van de voormalige kolonisator. Zelf doen! Eventueel met steun van voor de hand liggende bondgenoten. Met China werd al onder oud-president Venetiaan samengewerkt aan het opknappen van het wegennet, toen nog in de volksmond gatenplan genoemd. Suriname raakte gewend aan de stille aanwezigheid van ‘zoutwater-Chinezen’: van ver aangevoerde arbeiders in lichtblauwe maopakjes en met rijsthoeden op. Vuil werk doen we liever niet zelf, een overblijfsel uit de slavernij. Bovendien: wat je van ver haalt is in dit geval goedkoper.

De grap is niet: Hoe Lang is een Chinees, maar wat verdient-ie? Vrijwel niets. Zelfs niet ten opzichte van de Surinamer, die volgens de officiële cijfers gemiddeld met hakken over de sloot de armoedegrens passeert. Bijgevolg circuleert er in Suriname nog een mop over Chinezen: ze maken de weg, maar de weg terug naar China kunnen ze niet vinden.

Even terug naar al die nationale feestdagen. Voor de festiviteiten ter ere van vijfendertig jaar staatkundige onafhankelijkheid in november 2010 werd een bedrag geraamd van vijf miljoen Surinaamse dollar, ruim een miljoen euro. De staatskas beschikte slechts over twee miljoen, voor het overige bedrag moest men met de pet rond. Slechts een enkeling uit het bedrijfsleven gaf aan de oproep voor donaties gehoor.


Maar ook in Moengo zijn investeerders schaars, op Marcel Pinas na dan. Naast de Tembe Art Studio liet hij in het dorpje Ovia Olo, zo’n tien kilometer buiten Moengo, een kunsthut in traditionele stijl bouwen. Meer van die hutten liggen in de planning. Binnen vijf jaar moet het geheel uitgroeien tot een cultuurpark met een interessante beeldenroute. Kunstonderwijs als aanjager van ontwikkeling. Wie nu nog over de Oost-Westverbinding tussen Albina en Paramaribo voorbijraast, krijgt straks reden om naar het stadje af te buigen. De financiering komt uit Nederland en Duitsland, tel daar binnenkort de opbrengsten uit toerisme bij op.

“Toeristen komen al, maar nu nog in groepjes van vier, vijf,” vertelt Pinas in de als leslokaal ingerichte ziekenhuiskeuken. Aan de wanden hangen kleurrijke tekeningen. Een fruitschaal, een bloem: kinderthema’s blijken universeel. Maar wat moet je bezoekers vertellen over een stadje waar vrijwel niets meer is? Dan liever een beetje over de Cottica wegvaren naar authentieke Aukanerdorpen in de omgeving. Aukaners of Ndyuka zijn marrons, nakomelingen van gevluchte slaven, ook wel boslandcreolen genoemd.

Het woord ‘marron’ stamt af van het Spaanse ‘cimarrón’, dat loslopend vee betekent. Dappere mensen, want het oerwoud betekende een hard bestaan: voortdurend kans op malaria en de dreiging van een koloniaal leger op rooftocht. En ondervoeding: de harde onvruchtbare bodem laat zich moeilijk bewerken.

Marcel Pinas, ook Aukaner, had als kind maar één passie: tekenen. Daarmee schopte hij het van een klein dorp met een paar houten huizen rond Moengo tot het Nola Hatterman kunstinstituut in Paramaribo en vervolgens naar Jamaica, het Edna Manley College of Visual and Performing Arts. In Jamaica kwam de ontnuchtering. “Listen, Marcel,” zei een docente. “If you keep on doing what you’re doing, you won’t have to come back after Christmas.” Die kritiek sloeg in als een bom. Tot dan toe schilderde Pinas taferelen uit het marronleven. Vrouwen met de vaat of de was langs de rivier. Of dansend en handenklappend, gekleed in beha en heupdoek. Overtrekjes van de realiteit, geen eigen interpretatie daarvan.


Het werd denken, puzzelen, studeren. Resultaat: een nieuwe Pinas. Met abstracte, kleurrijke doeken onder de noemer Kibri a Kulturu, behoud onze cultuur. En installaties: tientallen aluminium lepels hangend aan touwtjes, bungelende flessen, uitgestalde olielampen – objecten van de Ndyuka. Ook torenhoge totempalen van opeengestapelde olievaten, voorzien van tekens uit het oude Afakaschrift. Er staan er een paar langs de afrit naar Moengo.

Na het Manley-instituut volgde de Rijksacademie in Amsterdam. Daarna exposities in Paramaribo, Amsterdam, Parijs en in New York – in het Brooklyn Museum, onder het label Contemporary Caribbean Art. Pinas liet er een keukenkast zien vol kleurrijke plastic borden en glimmende pannen: de trots van iedere marronvrouw. Van het Wereld Economisch Forum in Genève, een internationale denktank van zakelijke, politieke en intellectuele leiders, verkreeg Pinas in 2010 de status van Young Global Leader, net als de eerder genoemde Wyclef Jean en tennisser Roger Federer. Van een Surinaams minidorp naar een internationaal kunstcircuit – het kan verkeren.

Toch keert Pinas altijd weer terug naar zijn geboortestreek. Voor de inspiratie en voor de plaatselijke ontwikkeling dus. “Ik ben een praktische idealist, weet voor mijn plannen subsidie te genereren en opende alvast een eethuisje voor de toeristen.” Het laatste is een beetje een kip-eiverhaal. Wat eerst te doen: horecavoorzieningen aanleggen of meer bezoekers trekken? Op het menu van eethuisje Masanga staan bami, nasi en rijst met kip: je moet klein beginnen.

Toch ervaart Pinas tegenwind uit politieke hoek. De districtscommissaris (burgemeester) van het gebied liet zich op de opening van de Tembe Art Studio niet zien, terwijl hij ertegenover woont. Ook Ronnie Brunswijk, woonachtig in de omgeving, schitterde door afwezigheid. Brunswijk klom met zijn Algemene Bevrijdings- en Ontwikkelingspartij (ABOP) op van Junglecommandoleider tot parlementariër en coalitiegenoot van voormalig legerleider en aartsrivaal Desi Bouterse. ‘Brunsi’ is ook rond Moengo berucht en beroemd: als gewapende overvaller van de enige plaatselijke bank in zijn guerrillajaren, als drugsveroordeelde in Nederland, als eigenaar van de voetbalclub Inter Moengo Tapu. Soms strooit hij na een overwinning bankbiljetten uit zijn buiktasje. Brunswijk, de Robin Hood. Die kwaliteit van hem ondervond ik aan den lijve toen ik met panne langs de Oost-Westverbinding stond.


We gaan op pad in de fourwheeldrive van Pinas voor tekenles in de kunsthut in Ovia Olo. Pinas is een drukbezet man, die zijn vele mobiele gesprekken met minimale woorden voert: “Ai”, “No”, “A bun” – ja, nee, goed. Als de auto een zandstrook naast een verlaten speeltuintje indraait, komen de kinderen aangestroomd. Ze zijn van verschillende leeftijden, warrige haren, blote voeten, de groten dragen de kleintjes. Ze nemen plaats op de grond van de hut. Ken Doorson deelt plankjes en tekenpapier uit. We beginnen met het natekenen van simpele vormen. Pinas zoekt iets in een tas. “Waar is die zuurzak (een vrucht – red.)?” vraagt hij. Doorson: “Jij zou die toch meenemen?” Iemand haalt een plastic laars uit een dorpshut en plaatst die op sokkel van baksteen. Probleem opgelost. Na een uurtje natekenen verslapt de aandacht, de kinderen trekken naar de speeltuin. Doorson verzamelt de tekeningen en doet die met het lesmateriaal in de kofferbak.

Op de terugweg passeren we een tegenligger op een brommer; voor Pinas en Doorson een bekende, Waldo. Pinas houdt stil, zijn raampje glijdt omlaag. Waldo neemt zijn pothelm af, een joviale begroeting volgt. Hij komt net van een begrafenis, vertelt Waldo. Een jongen, iets in zijn hoofd was niet goed, een bezoek aan het ziekenhuis in Paramaribo mocht niet meer baten. Veel sterfgevallen de laatste tijd. Hij zet zijn pothelm weer op en lacht breed. Maar hoe het gaat met meneer Ken? Doorson steekt zijn duim op. De auto komt weer in beweging, het raampje moet dicht vanwege de airco.

Op naar ons volgend doel: het Moiwana-monument aan de Oost-Westverbinding, ongeveer dertig kilometer buiten Moengo. Het is gemaakt door Marcel Pinas ter nagedachtenis aan de slachting 25 jaar geleden in het dorpje Moiwana. Een zuiveringsactie van het nationaal leger op zoek naar Junglecommandoleden. Er vielen 38 burgerslachtoffers, onder wie vrouwen en kinderen; het dorp werd vernietigd. Marrons sloegen hierna massaal op de vlucht naar tentenkampen in Frans-Guyana. Na de burgeroorlog keerden ze terug naar niet veel betere huisvesting. Woonbarakken in Moengo zijn nog altijd in gebruik. Overal hangt was, adequate riolering en stromend water ontbreken. Het Moiwana-monument is gebouwd op last van het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten, dat Suriname veroordeelde voor het bloedbad. Andere eisen: herstelbetalingen aan de nabestaanden en het bouwen van nieuwe huisvesting. Enkele woningen staan er al. Prefab. Wanden van cement, daken van zink; geen hout en palmblad meer. Wie erin moet wonen is nog onduidelijk.


Schuin tegenover de Surinaamse vinexwijk rijst het monument op: in het midden een hoge zuil als beschermheer van achtendertig kleine en grotere grafzuilen, voor elk slachtoffer één. Vlakbij rukken de Chinese wegwerkers met hun grindtrucks gestaag op. Stoïcijns bedekken ze de vele strookjes asfalt op het wegdek, littekens aan de dikke darm. Onder die lappendeken bevinden zich opzettelijk aangebrachte wegbeschadigingen door het Junglecommando, de barricaden van weleer.

Een van de grindtrucks heeft de oprit naar het Moiwana-monument beschadigd. Pinas bestudeert fronsend de brokstukken; vervolgens richt hij zijn blik op het onkruid dat oprukt tussen de grafzuilen, een onderhoudsverantwoordelijkheid van de districtscommissaris. Ach, die Chinezen, wat weten zij van de betekenis van het monument? Maar onze eigen parlementariërs?

Er zijn er die dagelijks tussen Albina en de stad langs zoeven. We overleggen of het zin heeft parlementsvoorzitter Jenny Simons via Facebook een berichtje te sturen. De overheid? Pinas maakt een wegwerpgebaar. Hij vindt vooral dat er een mentaliteitsverandering moet komen. Hij recht zijn schouders. Kom, met een paar mensen is de klus snel gedaan. Nog een projectje erbij, het kan niet op.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Tessa Leuwsha