Vrouwen aan de top

Het wordt steeds duidelijker dat bedrijven met een goede mix beter presteren.

Uw hoofdredacteur was de afgelopen weken op zoek naar ‘een spannende, verrassende maar vooral gezaghebbende econoom die een wekelijkse bijdrage kan leveren (m/v)’. Met een voorkeur voor v, want dat zou – ik citeer – ‘in het kader van al die boze en oude mannengezichten in het blad’ wel mooi zijn.

Hier ben ik dan, de eerste excuustruus van HP/De Tijd. U mag me de komende tijd dus toetsen op kenmerken als ‘spannend en verrassend’, en op termijn moet het allemaal nog gezaghebbend worden ook.

Dat laatste is, als we het empirisch beschouwen, het moeilijkst. Immers, de combinatie gezag en vrouwen is zeldzaam. In elk geval vinden we hem weinig terug in de praktijk. Voor het Belgische parlement was dat een reden om vorige week te besluiten dat er een quotaregeling moet komen voor vrouwen. Minimaal één op de drie leden van de Raden van Bestuur van grote bedrijven moet in België in de toekomst een vrouw zijn.

Omdat de discussie onmiddellijk ook in Nederland weer even de kop opstak, en omdat ik zelf dus hooguit ‘gelijk geschikt’ ben, dacht ik: we moeten het er meteen maar even over hebben. Over het positief discrimineren van vrouwen.

Als het om vrouwen op topposities gaat, is er sprake van twee soorten discriminatie. De eerste is een vorm van statistische discriminatie: commissarissen die op zoek zijn naar een nieuwe topbestuurder, gebruiken de gemiddelde kenmerken van vrouwen (namelijk dat vrouwen minder vaak geïnteresseerd zijn in de top dan mannen) als informatie bij het kiezen. Hoewel verwerpelijk (er zijn ambitieuze vrouwen zat, die doe je tekort), is dit een rationele vorm van discriminatie. Immers, de commissarissen weten dat zij meer kans maken op een gemotiveerde kandidaat als zij zich tot mannen beperken. Als het aanbod en dus de keus groot genoeg is, is het rationeel om bij de eerste selectie mannen te kiezen. Het scheelt tijd, en dus geld.


De tweede vorm van discriminatie is gebaseerd op voorkeur. Soms weigeren topmannen banen aan vrouwen, simpelweg omdat ze niet van vrouwen houden, er bang voor zijn, er alleen maar mee naar bed willen of wat dan ook.

Beide vormen van discriminatie zijn verwerpelijk en verboden. Maar over op voorkeur gebaseerde discriminatie maak ik me als econoom minder zorgen: die lost zichzelf op, met dank aan de marktkrachten. Een seksistische topman die een vrouw afwijst – ook al kan hij eenvoudig vaststellen of de kandidate geschikt is voor de baan – snijdt zichzelf in de vingers en zal het afleggen tegen zijn concurrenten. Talent laten lopen kost geld.

Maar rationele discriminatie lost niet vanzelf op. Zolang de vijver van kandidaten voor topposities groot genoeg is, en zolang de gemiddelde Nederlandse vrouw niet meer dan 25 uur wil werken, is de kans op een gemotiveerde kandidaat die bereid is 70 uur te werken groter bij mannen. Hoe erg dat ook is voor die vrouwelijke kandidaat met passende opleiding, kennis en ervaring en de bijbehorende motivatie.

Statistische discriminatie is rationeel en daardoor hardnekkig. Dat kan een goede reden zijn om in te grijpen van buitenaf en regels op te gaan leggen. Maar toch: een verplicht quotum, dat is nogal wat!

Ik denk dat het niet nodig is, omdat de arbeidsmarkt op dit moment razendsnel verandert. Veel babyboombestuurders gaan met pensioen, ook aan de top zal talent schaarser worden. En als talent schaars wordt, is het niet langer rationeel om op grote gemene delers een eerste schifting te maken. Tel daarbij op dat het steeds zichtbaarder en duidelijker wordt dat bedrijven met een goede mix aan de top beter presteren dan monomaan mannelijke, en de vrouwvriendelijke bedrijven zullen de seksistische uit de markt werken. Overheidsingrijpen is daarvoor niet nodig.


Vanaf nu vindt u hier wekelijks een economiecolumn van Esther van Rijswijk.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Esther van Rijswijk