Dagboek van een medialoser

In de week dat De Pers omviel, presenteerden krantenconcerns Wegener en De Telegraaf dramatische cijfers. Pers-verslaggever Mark Koster ziet, ondanks zijn depressie, nog kansen voor kwaliteitsjournalistiek.

‘Je bent dood,” zegt het meisje en ze duwt een snorrende handcamera in je gezicht. Jij, de verslaggever, zit in gay-café Eve in de Amsterdamse Reguliersdwarstraat, aan tafel met

Heleen van Royen. De zelfverklaarde volkschrijfster zal over enkele minuten een novelle presenteren die bij drogistketen Kruidvat in het schap zal belanden, en jíj mag het allemaal melden in ‘die gratis kwaliteitskrant’ van je, die door je vrienden zo opbeurend ‘forenzenblaadje’ wordt genoemd.

Maar de cameradame van Gossip Queen, ‘website voor de laatste nieuwtjes op het gebied van fashion en glamour’, heeft vandaag meer oog voor jouw ellende dan voor deze revolutionaire literaire marketingstunt.

“Je hebt het nog niet gehoord?” gaat ze door. “Jullie stoppen. Wat is daarop je antwoord?” hijgt ze.

Je weet niks te zeggen. Later bedenk je dat het antwoord zou kunnen luiden dat de scène van daarnet de totale ondergang van de geschreven media samenvat. De journalist is dood omdat zijn krant is opgeheven, de schrijfster moet zich bedelend wenden tot een drogistengrootgrutter met een imago-probleem om haar literaire gedachtes te kunnen verspreiden, en de toevallige passante met een camera vertelt het verhaal.

Hel-lup!

“Wie schrijft, die blijft,” zeiden ze vroeger weleens, maar ze vertelden er niet bij dat je op den duur sterft van de honger. De dood van De Pers, want daaraan refereerde de dame van Gossip Queen, valt samen met dramatische cijfers van uitgeverijen Wegener en Telegraaf Media Groep. Beide concerns hebben nog een half miljard omzet, maar zien hun advertentie-inkomsten dalen met respectievelijk veertien procent en dertien procent. Het Telegraafconcern maakt inmiddels al verlies, en Wegener, dat De Pers uitgeeft, haalt nog een miezerige nettowinstmarge van vijf procent over hun gedrukte producten. Daar kunnen we natuurlijk nauwelijks meer van eten, laat staan kwaliteitsstukjes voor tikken.


Het is snel gegaan. Toen de stukjestikker in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw naar de school voor journalistiek toog, waren er nog geen computers, en bestond het wereldwijde web uit een paar krakende computerverbindingen in het universiteitslab van Tim Berners-Lee in het Zwitserse CERN. We hadden niet meer dan een typemachine, een potje Tipp-Ex (rook lekker trouwens, dat spul) en een crèmekleurige telefoon met een gedraaid snoer die aan de muur zat vastgeketend. Als je de haak woedend op de grond smeet omdat een bron niet meewerkte aan jouw verhaal, kroop de hoorn langzaam tegen je been omhoog, als een behoeftige loopse teef.

We dachten dat we Woordward en Bernstein waren. We voelden ons journalistieke shitscheppers in de traditie van Upton Sinclair, we applaudisseerden voor Salverda & Runderkamp die in Gouden Bergen premier Lubbers op een congres confronteerden met een zakendeal in Koeweit waarbij hij de belangen van het familiebedrijf zou hebben laten prevaleren boven de noden van de natie. Journalistiek was ons leven. Zonder journalistiek had ons leven geen zin.

Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, 365 dagen per jaar. We dronken, rookten en we sliepen tussen uitgeknipte krantenknipsels van de Volkskrant, NRC Handelsblad, weekblad Haagse Post (toen nog zonder dat hypocriet-katholieke De Tijd) en The Economist. We waren de steunpilaren van de vierde macht. Dachten we.

Toen.

Nu worden we meewarig toegelachen als een licht ziekelijke patiënt, omdat we in ons voortbestaan worden bedreigd. Johannes Gensfleisch zur Laden zum Gutenberg was de man die losse letters op papier drukte en in 1455 met zijn Bijbel de wereld opende door de boekdrukkunst. Met de ondergang van De Pers – op 30 maart verschijnt onze laatste editie – is de erfenis van de Duitse drukpeetvader, die in 1980 in het zwart-futuristische boek Goodbye Gutenberg overigens al ten grave werd gedragen, weer een stukje kariger geworden.


Zoveel liters inkt als er al die de eeuwen zijn gevloeid, zoveel tranen worden er nu in de geschreven media geplengd. In een recente bijdrage in het academische journalistenmagazine Nieman Reports, dat was gewijd aan Goodbye Gutenberg, beschrijft hoofdredacteur Melissa Ludtke de hedendaagse horror als volgt: “Newsrooms are being hollowed out, and editors who resist such cutbacks are losing their jobs. Digital video cameras and tape recorders replace reporters’ notebooks as newspapers – and other news organizations – train staff in multimedia storytelling.”

Daar staan we dan, ingehaald door camerahandige jongens en meisjes met het historisch besef van een pinda, die je in sarcastische soundbites ongeïnteresseerd ondervragen, want zo wordt ze dat geleerd door non-valeurs op Windesheim, de journalistenschool waar jij ooit zelf een diplomaatje scoorde. Je voelt je ineens alleen, want niemand wil je meer hebben.

Leonard Ornstein, oud-journalist bij weekblad Vrij Nederland (en nu redacteur bij Buitenhof) zegt: “Ik maak me zorgen over onze professie.” We treffen hem in de lobby van het Boekenbal, dat andere mediaknekelhuis. Hij legt een berustende hand op je schouder.

Zijn vriendin kreeg haar congé bij damescarrièremagazine Esta, vertelt hij met trillende bovenlip. “Ze had drie keer een jaarcontract en nu niet meer. Hoe moet dat nu verder allemaal?” verzucht de journalistieke topdog wanhopig. “Journalistiek was al idealisme, maar nu is het heel schraal aan het worden.”

Tja, letters op papier zijn niet winstgevend te krijgen, omdat adverteerders geen gulle budgetten meer fourneren voor promocampagnes in matig gelezen blaadjes. Vroeger grapten we dat we de achterkant van de advertenties voltikten, nu klagen we dat we in dezelfde tijd niet één maar twéé pagina’s moeten vullen, omdat onze productie-eisen omhoog zijn geschroefd.


Toch maakte De Pers meer verlies dan goed is voor een gezond denkend mens. De jongens van Wegener waren blij dat het bloedbad stopte en hun eigen pensioen weer iets beter was gegarandeerd.

Het is eten of gegeten worden, amigo! Die Wegener- babyboomers in Apeldoorn hadden net iets meer hongerklop dan wij, en stonden ook net iets hoger in de financiële voedselketen. Als je moet kiezen tussen jouw hypotheek of die van de ander, dan denk je niet na, dan dóe je.

Verzetskranten werden opgericht in oorlogstijd. Maar het zal niet lang meer duren voordat we weer ondergronds gaan met onze weggesaneerde printpareltjes. Bij De Pers zoeken we nu financiers die willen meewerken aan het moderne samzidat-model. Het voert misschien wat ver om te vragen wie de nieuwe H.M. van Randwijk wil worden. Maar als hij zich geroepen voelt, mag hij best een beetje bijdragen.

Het was niet de eerste keer trouwens, dat je naar huis werd gestuurd wegens gebrek aan succes. In je journalistieke leven had je al eerder een opdoffer gehad, toen je bij Talpa een modern nieuwsprogramma mocht maken, dat het Journaal moest verslaan. Dat was een wat al te optimistische gedachte, en dat wist je zelf ook wel.

Nieuws is net zo’n weinig winstgevende commodity geworden als een pak zout. Heb je niks aan, want het is gratis én goedkoop, én overal te verkrijgen.

Primeurs behoorden ooit tot de grands crus van de nieuwsvoorziening , maar vers nieuws is verworden tot het Aldi-slobberwijntje op de journalistenmenukaart. Wie vroeger als eerste iets meldde, kon in het café rekenen op een high five, een extra rondje en eerbiedige hoofdknikjes. Nu tuurt iedereen naar zijn mobiel en F5’t zich suf op Nu.nl. Nieuws is snackgoed geworden, gedrenkt in eenbadje van entertainmentsaus.


Dat is niet erg, de tijden veranderen, maar zal ‘wat goed is’ op den duur ook overwinnen? De Financial Times, de beste krant ter wereld, heeft in elk geval voor een historische trendbreuk gezorgd door zijn betaalde internetsite te zien exploderen.

Zou het dan toch mogelijk zijn? Kwaliteitsnieuws op het web, waar een redactie van kan leven? We moeten het proberen, maar ook eerlijk zijn. De inkomsten uit internetjournalistiek bedragen een fractie van de revenuen afkomstig uit de klassieke papieren krantenpagina’s.

Het is een dilemma waar je niet snel uitkomt. Aan de ene kant van de rivier heb je zaadjes in de grond gestopt die nog moeten uitkomen, op de andere oever verdorren de bomen. Wanneer zwem je over? En wanneer pak je zelf eens een camera of een iPad om iets te bloggen?

De Oostenrijks-Amerikaanse econoom Joseph Schumpeter sprak ooit over het nut van ‘creatieve destructie’. Zijn brute sociaal-darwinistische stelling luidde: alles wat niet van waarde is zal weerloos sterven of terugkeren in een frisse nieuwe verschijningsvorm.

Natuurlijk heeft Schumpeter gelijk. Het gemiezemuis over het verscheiden van een krant die veel fans heeft maar geen goed businessmodel, wordt op den duur pathetisch. Jezelf wentelen in dodebomennostalgie is net zo treurig als te lang huilen om een weggelopen ex.

De Pers kan overleven als we kiezen voor een extreme overlevingstactiek. Al het geld dat we ophalen (kom op, mensen, ga naar de reddepers.nl) gaat naar de inhoud. Als je een tientje per maand kunt besteden aan de eredivisiewedstrijden, kan dit er toch best bij? Wij beloven dat journalisten pas krijgen betaald als hun stuk op de site is te lezen, net zoals tekstschrijvers in Hollywood pas een bonus verdienen als hun grap wordt uitgezonden. Met zes goede internet-artikelen per dag drijven we verder.


Maar welke journalist durft het nog aan? Als je dagenlang zwoegt op een stuk, wil je betaald worden, want ja, die hypotheek moet ook afgelost.

En zo bijten we in onze eigen staart. We zitten gevangen in een vicieuze cirkel van destructivistisch consumentisme. Journalistiek moet terug naar de basis. Alleen het beste werk wordt nog uitgegeven, zoals bij de schoolkrant.

Dat waren toch de mooiste jaren uit je leven. Je schreef met een rood hoofd een onthullend verhaal, dat zo vals was dat je van school werd gestuurd. Dat was het echte handwerk. Je begon je eigen schoolkrant, waarvoor je iedereen een gulden liet betalen, en je voelde je even een kleine Benjamin Franklin. Je was uitgever van je eigen leven, en je verdiende je eigen centjes.

Je hoort jezelf praten. Is dat model opnieuw mogelijk?

Je weet ook dat je niet elke dag Messi bent. Net zoals je weet dat jouw collega ook niet elke dag scoort. Je zou iedereen een basissalaris moeten geven en de journalisten die raak schieten meer betalen. De hoofdredactie bepaalt, maar wordt ook afgerekend op lezersaantallen. Nu hoor je jezelf weer denken: vriend, gaat dat niet leiden tot populisme en oppervlakkigheid? Misschien, maar waarschijnlijk toch niet. De abonnees van De Nieuwe Pers willen een goede mix en geen rotzooi.

Vakbroeder Marcel van Roosmalen komt langslopen op het Boekenbal en kijkt ook al niet vrolijk. “Mijn opdrachtgevers wankelen,” zegt de rubriekschrijver voor Het Parool, nrc next en Intermediair. “Wat moeten we doen?”

Laten we een bedrijfje starten in corporate columns, zeg je. We gaan naar een onderneming en beschrijven een dag van die firma. M&M on Tour. Wij zien meer dan McKinsey, zeker als we het goed en vrolijk oppennen. Daar hebben werknemers meer baat bij dan uiteenzettingen in dorre spreadsheets. Storytelling als spiegel van de bedrijfsziel. ‘Mars’ rochelt een rokerslachje. “Wanneer beginnen we?”


Jeroen Smit, de verse hoogleraar journalistiek, kijkt je nu ook aan door zijn professorale brilleglazen. We hebben elkaar net een vriendschapsbandje omgeknoopt op het boekenbal. “De Pers was goed, en niet alleen vanwege de artikelen,” zegt hij liefdevol. Hij treint naar de universiteit in Groningen, en houdt dan zijn telefoon regelmatig voor De Pers om de QR-code te activeren, waarmee hij filmpjes kan uploaden op zijn smartphone. “Het is niet genoeg, alleen een krant. Je wilt ook zien hoe iemand iets zegt,” zegt de man die zelf twéé keer de geldgong raakte met zijn bestsellers over Ahold en ABN Amro, maar nu alweer een generatie verder denkt.

Daar zit je dan. Je hebt een iPad met een camera, je kunt alles registeren, je kunt alles vragen en je hebt alle vrijheid. Dat laatste is het belangrijkste goed in je leven. Het wordt tijd om weer te denken als die jongen die voor de schoolkrant schreef.

“Hé, wat zit jij nou te doen?” zegt Cécile Narinx, hoofdredacteur van Elle, als ze je typend aantreft in de Boekenballobby. “Héb jij nog een deadline?”

In je binnenzak branden muntjes. Die gaan allemaal op vanavond, en morgen tik je het allemaal op. Zonder aanzien des persoons, en misschien nog wel veel erger.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Mark Koster