Succes, lieve schrijversvrienden! (maar niet te veel graag)

Het is prettig om schrijversvrienden te hebben. Aan geen andere vriend dan de schrijversvriend kun je passages van je helden voorlezen en nog een keer voorlezen om er vervolgens de hele avond samen niet over uitgepraat te raken. 

Je kan de nieuwe Hanna Bervoets verguizen, afgeven op de broertjes Heerma van Voss, en je vriend zal weten over wie je het hebt, en je gelijk geven, iedere keer.

Hij zal je proces herkennen, je begrijpen als je het over die beklemmende vrijheid van de schrijver hebt, hij zal zich net als jij ook willen verstoppen zodra zijn boek uit komt. Bang voor de recensies, bang dat je ontmaskerd zult worden. Je werd verkocht als grote belofte, je wordt onthaald als niet de moeite waard. Het is de grootste angst van de debutant, en je schrijversvrienden kunnen er allemaal over meepraten.

Dan komt het moment waarop de eerste van de schrijversvrienden gaat debuteren. In die tijd ga je hem een beetje uit de weg. Om je ware gedachten niet te verraden. Je hoopt voor hem natuurlijk dat het een succes gaat worden. Maar voor jezelf hoop je dat het boek dat hij geschreven heeft hier en daar nog rammelt. Dat het geen meesterwerk zal zijn. Zijn meesterwerk zal dat van jou waarschijnlijk overbodig maken. Er bestaat natuurlijk altijd de kans dat je mee kunt liften op zijn succes, dat je in een nieuwe traditie van genieën wordt geplaatst, maar je wil graag realistisch zijn. Iedere generatie brengt op zijn hoogst één genie voort.

Je leest een paar recensies. Die variëren van agressief negatief tot overwegend gematigd enthousiast. Je kunt voorzichtig concluderen dat je vriend geen meesterwerk heeft geschreven.

Even ben je opgelucht.

Je durft de recensies over te lezen en opeens valt je op hoe weinig men hoeft te kunnen om recensent te zijn. Of in ieder geval: hoe weinig energie er gestoken hoeft te worden in een stuk zodat het plaatsbaar is. De schrijversvriend heeft wellicht een roman afgeleverd die hier en daar nog rammelt, aan deze besprekingen had ook nog wel een extra meelezer te pas mogen komen. Argumentatie ontbreekt, of de recensent was met zijn verkeerde been uit bed gestapt. Zijn toon is agressief van aard. En lijkt uit te gaan van een vooroordeel: jonge schrijvers deugen niet, en hun boeken ook niet. Misschien zit daar iets in, denk je. Maar je schrijversvriend had je toch hoog zitten. Eentje waar je bang voor was. En waarvan je hoopte dat hij goed zou zijn, maar natuurlijk niet zo goed als jij. Hij blijkt nu ideaal voor de papierversnipperaar.

Wat zegt dat over jou?

Je leest je roman in wording nog maar eens door en ziet overal opeens typisch jonge schrijversfouten. De toon is wisselvallig, gebeurtenissen soms uit de lucht gegrepen. De grappen flauw, dialogen geforceerd. De critici gaan gehakt van jou maken, zeg je bij jezelf, en je sluit het bestand af.

In het café vind je je schrijversvriend. De bladen waar hij in besproken wordt heeft hij uit alle cafés verzameld en in zijn tas gestopt.

“Je begrijpt me niet,” zegt hij. ‘”Jij wordt vast wel als een succes onthaald.”

Je vertelt hem dat jouw roman niets voorstelt. En dat hij nog lang niet af is bovendien. Dat je misschien nooit zult presteren wat hij gedaan heeft: het verhaal de wereld in sturen. En als het zover is, dan komt hij al met zijn tweede. En zullen jullie hier samen zitten, met alle bladen uit de stad.

Jij en je schrijversvriend begrijpen elkaar weer. De afstand is overbrugd. Je bevindt je in exact dezelfde situatie, je hebt je schrijversvriend weer terug.

Meer leuke content? Like ons op Facebook