Hoe ik mij dankzij Gabriel García Márquez tot de literatuur bekeerde

Er zijn dingen die je amper aan het papier durft toe te vertrouwen, maar als Gabriel García Márquez is overleden, moet je niet zwijgen maar vertellen – zijn volgende memorabele woorden indachtig: ‘Het leven is niet het leven dat je hebt geleefd, maar het leven dat je je herinnert en hoe je het je herinnert om het te vertellen.’

Daarom wil ik me vandaag een moment uit mijn leven herinneren dat mij, terugkijkend, veel over de kracht van dat vertellen heeft geleerd. Vandaag op de dag af negentien jaar geleden, op Goede Vrijdag van 1995, wandelde ik voor de laatste keer mee in de kruisweg die door de straten van mijn provinciestad trok. Ik beken het met schaamrood op de wangen, maar vandaag, omwille van Marquez, moet ik herinneren en vertellen, dus: ooit bad ik elke avond trouw mijn gebeden en geloofde ik dat tussen sterren en melkwegstelsels God de Vader, Jezus en Maria gezellige theekransjes hielden.

Rond mijn dertiende was ik weliswaar al begonnen met twijfelen aan het bestaan van een opperwezen waarvan ik vandaag weet dat hij een product van (vooral) de menselijke angst voor de dood is, maar toch stapte ik in april 1995 om half zeven mee in de kruisweg. Ik had het sinds mijn eerste communie elk jaar gedaan met vader en zus, die intussen al zeventien was geworden en weigerde ons nog langer te vergezellen. Mijn vader verplichtte me niet, maar zei dat het leuker was om met twee te gaan, dus ik ging mee om hem een plezier te doen, en mijn eigen katholieke schuldgevoel te slim af te zijn.

Ik herinner; ik vertel: die vrijdagavond schaamde ik me dood toen we met zo’n honderd mensen de kruisweg liepen, voorafgegaan door een witte Volkswagen van de Zusters van ’t Geloof, met op het dak een luidspreker waaruit de klagerige stem weerklonk van een non die de lijdensweg van Christus voorlas: ‘Zij trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om. Ook vlochten ze een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in de rechterhand. Dan vielen ze voor Hem op de knieën en bespotten Hem met de woorden: “Gegroet, koning der Joden!”

Als kind had ik me bij die woorden een hele wereld kunnen voorstellen, maar nu voelde het alsof ik in een dwangbuis zat. Ik had de verhalen al honderden keren gehoord, en ze waren steriel en versleten geworden, en bovendien leugenachtig, want stilaan besefte ik dat het om verhalen vol verzinsels ging die wél als harde waarheid werden verkocht, en bovendien gebruikt om mensen een levenswijze op te dringen.

Een jaar later, op mijn vijftiende, las ik Honderd jaar eenzaamheid van Márquez. Ik ontdekte de magie van fictie die zichzelf ook voluit als fictie etaleert, en de menselijke geest de ruimte laat om aan de verhalen een eigen invulling te geven.

Ik was voorgoed gelovige af. Ik bekeerde me tot de literatuur, die de mooiste wandelstok is waarmee ik op het pad van het leven mijn weg wil zoeken. Márquez leerde mij dat zich het leven herinneren niet per se zoals het was, maar zoals we het ons met de kracht van onze verbeelding willen herinneren, het beste wapen is tegen de tijd die ons elke seconde aan het inhalen is.

Vanavond zal ik door de straten van mijn stad omstreeks zes uur opnieuw een – zij het sterk uitgedunde – kruisweg zien trekken. In een magisch-realistische flits zal ik achter het stuur van de Volkswagen geen non bespeuren, maar zal ik de snor van Márquez zien en zijn stem uit de luidspreker horen galmen: ‘Het geheugen van het hart zeeft slechte herinneringen weg en maakt de goede mooier. Dat stelt ons in staat om met het verleden te leven.’

De maestro had gelijk: alleen de goede herinneringen winnen het gevecht met de tijd, zeker als ze werden opgeschreven door Gabriel García Márquez.

Meer leuke content? Like ons op Facebook