Een Franse smartphone probeert taalpuristen buitenspel te zetten

Frankrijk voert beleid tegen leenwoorden, maar de taalgebruiker beslist

In Frankrijk werd vorige week een nieuwe advieslijst met Franse equivalenten voor woorden als ‘smartphone’ gepubliceerd. In Franse overheidsteksten wordt voortaan le mobile multifonction en internet clandestin (dark web) geschreven. Het zou de taal ‘schoon’ moeten houden. Maar wie bepaalt nu daadwerkelijk welke taal gebezigd wordt?

Dat het taalbeleid in Frankrijk conservatief is, was al langer duidelijk, schreef collega Wilco Versteeg al in november. “Leenwoorden worden zo veel mogelijk uit het woordenboek gehouden, maar ook in de spreektaal ingeburgerde zegswijzen worden niet als zodanig geaccepteerd,” stelde hij. Dat het beleid behoudend is, betekent immers nog niet dat de taalgebruiker dat ook is. Uiteindelijk beslist niet de grammatica wat toelaatbaar is, maar de taalgebruikers.

Weinig kans van slagen

Wij vroegen de Nederlandse taalkundige Marc van Oostendorp of hij denkt dat dergelijke initiatieven invloed kunnen hebben op het taalgebruik. “In theorie kan het, maar de kans is heel klein,” stelt hij. “Nederlandse taalpuristen kijken vaak met jaloezie naar de situatie in Frankrijk. In een paar gevallen is het daar gelukt, Fransen gebruiken bijvoorbeeld hun eigen woord ordinateur voor computer. Nu de technologie zich zo snel aanpast komen de alternatieven veelal te laat.”

Van Oostendorp legt uit dat tegen de tijd dat er uitgebreid ‘gesproken, gelucht en wijn gedronken is’ de nieuwe leenwoorden al zijn opgenomen in het normale taalgebruik. De poging om Fransen de term le mobile multifonction in plaats van smartphone te laten gebruiken heeft volgens de taalkundige weinig kans van slagen. “Het woord smartphone is ook niet meer van gisteren en men is er inmiddels aan gewend geraakt. Waarom zou je het dan niet meer gebruiken omdat een commissie dat zegt? Er zullen ongetwijfeld een aantal Fransen zijn die het opvolgen, maar dat zal marginaal zijn, denk ik.”

Nederlandse modeverschijnselen

In Nederland is het aantal nieuwe leenwoorden uit het Engels sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog toegenomen. Onze Taal verklaart dit als volgt: “Vooral met nieuwe (computer)-technieken en modeverschijnselen uit Amerika komen Engelse woorden in onze taal terecht.”

Anders dan de Académie Française staat het genootschap Onze Taal niet negatief tegenover leenwoorden. Hoewel het genootschap in 1931 werd opgericht om te strijden tegen de instroom van Duitse woorden, is de koers gewijzigd. Onze Taal meent dat ‘een levende taal als het Nederlands vitaal genoeg is om na Franse en Duitse ook Engelse woorden die op ons afkomen harmonieus te verwerken’.

Luxe en noodzakelijke leenwoorden

Van Oostendorp lijkt zich aan te sluiten bij deze gedachte en denkt niet dat het Nederlands aan de toestroom van leenwoorden uit het Engels ten onder zal gaan. Bovendien is er volgens Van Oostendorp een groot verschil tussen verschillende soorten leenwoorden: de noodzakelijke en de luxe. De noodzakelijke leenwoorden gebruiken we voor nieuwe uitvindingen, waar we zelf nog geen woord voor hebben. De luxe leenwoorden gebruiken we voor woorden waar een prima gangbaar alternatief voor is, zoals sale in plaats van uitverkoop.

Het veelvuldig gebruik van de luxe leenwoorden stoot nog weleens wat mensen tegen het hoofd. Zo werd bijvoorbeeld het Ampzing Genootschap opgericht om weerstand te bieden tegen het ‘overbodige Engelse leenwoord’. De website vermeldt: “Niks mis met computer, baby, folder of printer. Beter goed geleend dan slecht vertaald. Maar een badmeester Aqua and Leisure Host noemen? Opzouten. Wegwezen. Mond spoelen. Bah, gatsie, potjandriekwartjes, kutjandorie zelfs.”

“Enigszins belachelijk,” noemt Van Oostendorp het overdreven gebruik van luxe leenwoorden. Als voorbeeld noemt hij de NS die de conducteurs nu ineens train managers noemt. “Toch betekent het nooit exact hetzelfde. Wanneer iemand zich train manager noemt, pretendeert het iets mooiers of beters. De gevoelswaarde van de woorden is niet gelijk. De pretentie die uit een woord als train manager spreekt is wel irritant.” Maar storen doet het Van Oostendorp niet. “Ik slaap er geen nacht minder om.” Mensen kunnen zich maar beter niet te druk maken om luttele zaken, lijkt zijn devies.

Pienterfoon en scharrelwip

De Stichting Nederlands die in 1998 werd opgericht om ‘de onttakeling van het Nederlands tegen te gaan’, heeft een ander motto. Niet alleen verzet de stichting zich tegen het Engels als voertaal, ook wordt de ‘woordenlijst onnodig Engels’ geboden. Deze lijst bevat Nederlandse equivalenten voor leenwoorden uit het Engels. De vertaalwoorden ‘pienterfoon’ voor smartphone en ‘scharrelwip’ voor onenightstand zullen op de meeste taalgebruikers eerder als grappig dan gebruikelijk overkomen.

Van Oostendorp denkt niet dat genootschappen als Stichting Nederlands invloed hebben op ons taalgebruik. “Het zijn maar kleine clubjes. Het is een leuke hobby, maar ze kunnen geen deuk in een pakje boter slaan. Overigens vind ik ze heel aardig en ze bedoelen het goed.”