Hopen op Tom, de Hollandse Poupou

Jeroen Wielaert 28 jul 2018 Sport

De Tour de France heeft Frankrijk jaarlijks drie weken volledig in haar greep. Tourkenner en journalist Jeroen Wielaert reist de renners drie weken lang achterna en vertelt u in zijn Tourkronieken het verhaal achter de Ronde.

In Lourdes was de bisschop zelf ingestapt voor de rit naar de oiconische cols, l’Évêque de Lourdes et la Région. Christian Prudhomme riep het om op Radio Tour, gezegend als hij was. De prominente geestelijke had plaats gekregen in een van de rode directiewagens, niet in een Pausmobiel – het zou te veel op een ronkende Roomse stunt in de reclamekaravaan hebben geleken.

Vooraf was het in Lourdes een miraculeuze samenvloeiing geweest van het normale quotum aan pelgrims, uit op verlossing van hun kwalen en Tourfans, smachtend naar contact met de heiligen van de fiets. Het was een ongekende concentratie van illusies, waar slechts enkele het werkelijke heil konden vinden.

Luistert u liever de hele kroniek? Jeroen spreekt iedere aflevering in. De tekst loopt hieronder door.

Tom
Beeld: Jeroen Wielaert

Zo verging het de etappe: gewenste hemelopneming na veel drama en tragiek behoort tot de liturgie van oude documentaires. Qua verloop was het in elk geval een stuk beter dan die ultrakorte rit van 65 kilometer.

De route bleek aantrekkelijk genoeg, op wat voor mij een aanhoudende sentimental journey was. In het dal voor de Aspin stopte ik in Sarrancolin als zoveel keren voor Restaurant Café de France, een herberg waar Bottechia, Buysse en later Bartali en Bobet nooit hebben kunnen stoppen voor een verfrissing.

De televisie, hoog in de gelagkamer, gaf zicht op de vaste ontsnappers anno nu, waaronder Yates, Jungels, Alaphilippe en Mollema – voorvluchtelingen die aan hun prestige werkten bij wijze van prelude voor de Carmina Colli, hoogzang van de bergen.

De Tourmalet was voor de gelegenheid niet meer dan een inspannend intermezzo. Ik zag er een mooi nummer travestie op redelijk YMCA-peil, maar het werd nóg geen rock&roll van heftige cyclistische strijd. Dat was te voorzien – het moest op good-old Aubisque gaan gebeuren.

Tom
Beeld: Jeroen Wielaert

Op Radio Monte Carlo riepen ze wat over Barguil die weer tegenviel en Bardet die aan een betere dag werkte. Om het verloop schimmiger te maken was de Aubisque voor de gelegenheid gehuld in grijze nevelen. De ravijnen waren onzichtbaar door een dek van grijze wolken, óók de afgrond waar Van Est in was gestort – niet te zien, bocht gemist in de mist.

Onder het rijden besefte ik dat een renner hier ongezien zou kunnen verdwijnen in minder dan tien meter zicht. Ook in de auto was het link rijden.

Daar kwam het bericht van de voortvarende Robert Gesink, de Fransen noemden hem als Bataaf van dienst. Hij was niet de enige Nederlander die zich liet gelden. Mist of geen mist, ik zag het niet, hóórde alles alleen maar, en dat maakte mijn passage van de Aubisque alleen maar spannender. Onzichtbaar werd het voelbaar. Ook toen Kruijswijk in de aanval ging. Ouderwetse beleving: je moet het niet zien, maat wel wéten, terwijl het al naar beneden gaat, in hoge snelheid naar Laruns.

Fantastisch, het panorama na de top van de Aubisque: de aanblik van een immense witte deken in het dal, met de pieken erboven. “Decor Gargantuesque!” riep verslaggever Fred Adam op Radio Monte Carlo.

Na het zegevieren van Roglic zag ik Lotto-Jumbo-directeur Richard Plugge, Hij werd geïnterviewd door David Crmel van de Sloveense televisie. Hij zei: “We knew it would explode. Gesink did an incredible job. Kruijswijk killed a couple of Sky helpers. And Roglic finished it.

Het interview was klaar, ik stond er nog, tijd voor instant journalistiek met Plugge.

Tom
Beeld: Jeroen Wielaert

Was dit eigenlijk niet het leukste in al die jaren na Rabobank?
“Bau en Lau was ook heel leuk,” zei Plugge, “toen ze 2 en 4 stonden, de eerste tijd, maar dat zakte daarna ook weer weg. Nu gebeurt het in de laatste week. Dat is inderdaad het allerleukste, ja, eigenlijk. Ik moest er even over nadenken…”

Hier hebben we het Nederlandse tintje, toch?
Plugge: “Ja, we zijn een Nederlandse ploeg, de enige. Toevallig is Roglic een Sloveen in ons team die heel hard kan fietsen. We staan nu derde en vijfde in het algemeen klassement. We hebben drie etappezeges. Wie kan dat behalve Quick Step zeggen? We horen bij de drie ploegen die de dienst uit maken. Onwijs gaaf.”

Met deze opwekkende tekst ben ik Donibane Lohitzune aangekomen, Siant-Jean-de-Luz op zijn Baskisch. Vlakbij krijgt Tom Dumoulin nog wat te doen, vooral als man om klokwijzers als snelste stil te laten staan.

Ze noemen hem in Frankrijk al le Poulidor Batave. Het is een bijnaam die te maken heeft met Tom’s redelijke gelijkenis op de voormalige, Franse publieksheld die in de Tour nooit verder is gekomen dan een tweede plaats.

Dat moet volgend jaar veranderen, als Tom de Hollandse Poupou is geworden die tóch de Tour won.

Lees en luister hier alle Tourkronieken van Jeroen Wielaert.

Reageer op artikel:
Hopen op Tom, de Hollandse Poupou
Sluiten