Roomblanke Hollandse cultuurpausen eisen kleur in de kunst

“Diversiteit in de kunst dwingen wij vanaf nu af met subsidie. Diversiteit wordt niet langer uitzondering maar regel,” zo schrijven de directeuren van zes Rijkscultuurfondsen en Unesco in het NRC Handelsblad.

Veel roomblanker dan deze cultuurpausen vind je niet, al komt een Meet Up met Jesse Klaver en een bedrijfsfuif van BNNVARA aardig in buurt qua toxic white superiority.

Ik heb dan zoiets van: blijf niet hangen in holle retoriek en bevoogdende praatjes voor de vaak, maak een gebaar, ontsla jezelf en laat je je ivoren toren innemen door Seada Nourhussen, Clarice Gargard, professor Wekker, Quinsy Gario, Rapper Boef, Hanina Ajarai en imam Fawaz Jneid. Ik stel voor dat Robert Vuijsje de kwaliteit bewaakt.

Now we are talking!

We kijken even naar de namen van de zeven roomblanke diversiteitsridders (m/v) die zichzelf willen opheffen:

Doreen Boonekamp (Nederlands Filmfonds)
Birgit Donker (Mondriaan Fonds),
Andrée van Es (Nederlandse Unesco Commissie)
Syb Groeneveld (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie)
Jan Jaap Knol (Fonds voor Cultuurparticipatie)
Tiziano Perez (Nederlands Letterenfonds)
Henriëtte Post (Fonds Podiumkunsten)

Het zijn allemaal aardige nette witte mensen waarvan ik een aantal ken uit de tijd dat ik het Amsterdamse borrelcircuit nog onveilig maakte als staatsruivenier vol Sturm und Drang. Jan Jaap Knol ken ik niet, maar zijn naam maakte een traantje bij mij los en een verlangen naar vervlogen oer-Hollandse tijden met schaatsen, koek en zopie, zaklopen, palingtrekken, turfsteken, de braderie van Schagen en natuurlijk dat schitterende en vooral ontroerende lied Algebra van Loeki Knol, die ongetwijfeld familie is van Jan Jaap.

Het zijn dus aardige, goedbedoelende witmensen die het beste voor hebben met personen van kleur en met aanhangers van de mohammedaanse persuasie (ik ga er gevoegelijk van uit dat hun zucht naar diversiteit in de schone kunsten niet gericht is op shintoïsten, boeddhisten en taoïsten).

Het bonte zevental schrijft dat een inclusieve cultuursector hun topprioriteit is.

Van deze zin uit hun manifest snap ik alleen geen biet: “We zien met lede ogen aan hoe het gepolariseerde maatschappelijke en politieke debat, met steeds zwaardere nadruk op identiteit, mensen eerder in een hokje plaatst dan eruit bevrijdt. We zien en ervaren hoe benauwend dat hokje voor kunstenaars is.”

Wie stopt nou precies wie in een hokje? Die totaal onbegrijpelijke, dialectische tekst zou zo door Sylvana Simons geschreven kunnen zijn, gesouffleerd door professor Wekker en Anja Pollewop.

Deze wens van de zeven roomblanke kunstpausen vind ik echt schattig:

“We willen voorbij aan de toon van de discussie waarin niet zelden een valse noot klinkt, bijvoorbeeld dat selectie van kunstenaars met een andere culturele achtergrond kunstmatig zou zijn. Het gaat bij selectie om de kracht van het werk en het verhaal dat wél wordt verteld.”

En dat is waar de schoen knelt: je kan wel met geweld en met subsidies eisen dat jonge Somaliërs raketkunde gaan studeren, iedere week een ballet bezoeken of desnoods een toneelstuk van Gerardjan Rijnders met veel homofiel naakt en dat ze vuistdikke romans schrijven over de Gouden Eeuw maar ze kunnen en willen dat niet. Ze willen volgens mij voetballer worden, of rapper of qatdealer of een combinatie van die drie. Waar komt toch het rare idee vandaan dat De Diversiteit in Nederland precies hetzelfde mooi moet vinden als De Grachtengordel. Die bevoogding is stuitend: dit moeten jullie mooi vinden. En anders douwen we het wel door jullie strot, met de subsidie erbij. Seada Nourhussen en Clarice Gargard vinden dat ze op basis van hun gender en afkomst automatisch moeten worden opgenomen in het pantheon der Nederlandse literatuur. Nou lees ik wel eens wat van die dames en dan zie ik een eindredacteur die langzaam maar zeker krankzinnig wordt en brult: hoe maak ik hier in godsnaam fatsoenlijk en helder Nederlands van.

Mijn goede collega Jamal Ouariachi heeft dit probleem helder samengevat in zijn recensie van de verhalenbundel Zwart.

Wat mij nu zo opvalt aan de teksten in Zwart, zowel de fictie als de non-fictie, is dat hun auteurs nalaten de lezer te verleiden. Dat komt deels door dat literair-technische onvermogen, maar toch vooral ook door de inhoudelijke opstelling van de meeste bijdragende auteurs: die obsessie met het eigen zwart-zijn, dat gebrek aan verbeelding, de morele superioriteit, dat onvermogen buiten de eigen belevingswereld te treden, die onverhulde afkeer van alles wat wit is, en daardoor het uitblijven van welke uitnodiging dan ook aan lezers die niet hun wortels in sub-Sahara Afrika hebben – zoals ondergetekende half-Marokkaanse half-Hollander – om zich mee te laten voeren door de auteur. En de zwarte lezer? Die moet zich maar ‘herkennen’ in de gepresenteerde verhalen en blijft daardoor verstoken van dat wat literatuur nu juist zo mooi kan doen: je laten reizen door het bewustzijn van mensen die anders zijn dan jij.

Met kunst heeft het allemaal niks te maken: het is pamflettisme tussen de schuifdeuren. Daarom zou het een aardig experiment zijn als Seada Nourhussen, Clarice Gargard, professor Wekker, Quinsy Gario, Rapper Boef, Hanina Ajarai en imam Fawaz Jneid de nieuwe kunstbobo’s van Nederland worden. En neem alsjeblieft ook de macht over bij de NPO en bij het NRC Handelsblad. Er moet meer gelachen worden in de kunst!

Reageer op artikel:
Roomblanke Hollandse cultuurpausen eisen kleur in de kunst
Sluiten