‘Mèèèssi, Mèèèssi’

Frank Heinen 18 mrt 2019 Mening

Gisteravond, na het derde doelpunt, gingen alle mensen in Estadio Benito Villamarín staan. Ze klapten en mompel-scandeerden ‘Mèèèssi, Mèèèssi.’
Daar zat wel wat in. Messi had zojuist drie doelpunten gemaakt. Een perfecte vrije trap, een achteloos tikje met buitenkant links en een goal voor de eeuwigheid. Beschrijven is ingewikkeld. Simon Kuper dicteerde ooit: schrijf als voetbalschrijver nooit over het voetbal zelfs, want dat kun je beter zien. Het krijgt al snel iets belachelijks, zoals bij mensen die wijnen bespreken. Die kunnen ook niet volstaan met ‘lekker’ of ‘zoet’. Daar moeten ‘aroma’s van drop, ouwe theedoeken en diesel’ bij.

Nou goed, toch een poging.
Die derde goal dus. Een soort trekbal in volle sprint. Onderkant lat. Een dropshot die perfect achter het net valt en daar blijft liggen als een dode spreeuw. Als je goed kijkt, zie je nog net hoe Sergi Roberto, de rechtsachter van Barcelona, na die derde goal naar zijn hoofd grijpt, precies op de manier van de man die op het hofje voor zijn huis een UFO ziet landen.
Vergelijk het maken van zo’n doelpunt met naar de bus rennen, struikelen, in een enorme bak verf vallen, opstaan en zien dat je ‘Slaapkamer in Arles’ op de stoep hebt gestempeld. En dat dat dan ook je plan was.

Van de ruim duizend columns die ik op deze plek over sport heb geschreven, gingen er een stuk of vijftien over Messi. Ongeveer een jaar geleden dacht ik, na nummer vijftien: het is wel genoeg zo. Je valt onvermijdelijk een keer in herhaling.
Nu denk ik: 15 op ruim 1.000, dat zijn er 985 te weinig. In de tijd dat Messi voetbalt, schreef ik onder andere over John van Loen, Ernie Brandts, Nathan Rutjes, Roy Donders, Robin Haase, Michiel Hemmen, Melvin Platje, Mike van der Hoorn, Bart Vriends, Jeroen Verhoeven, Youri Mulder die door een stoel zakt, Sven van Beek, Jelle ten Rouwelaar, de vader van Bram Nuytinck, Aad de Mos, Hans de Booij, Jacques Brinkman en Wout Weghorst.
Verloren tijd, verloren moeite. Ik had me bezig moeten houden met tot mislukken gedoemde pogingen te formuleren wat Messi doet, het in woorden te vatten, dan had ik misschien nu niet zo met mijn toetsenbord vol tanden gestaan.
(Stel: je studeert af op het werk van een kunstcriticus aan het eind van de negentiende eeuw. Stel: je treft daar talloze analyses aan van schilderijen van uiteenlopende krukkige zondagsklodderaars, inmiddels al lang en meer dan terecht vergeten, en slechts drie van Van Gogh. Dan denk je toch ook: wat heeft die kerel al die tijd zitten doen?)

Optie 3 van de twee
Hoogstwaarschijnlijk is Messi niet goed snik. Er is geen andere uitleg voor wat hij gisteravond deed, bij dat derde doelpunt. Of wat hij vorige week deed, tegen Olympique Lyon.
Diep in de tweede helft dribbelde hij naar het Franse doel, op weg naar een overmacht aan verdedigers. Naast hem rende Luis Suarez mee. Er doemden twee mogelijkheden op. Optie 1 bestond uit het op volle snelheid op die oranje mannetjes afrennen, in de hoop dat ze een voor een zouden omvallen als kegels in een ballengooikraam. Optie 2: de bal breed leggen op Suarez en zelf positie kiezen voor het doel.
Iedereen behalve Arjen Robben zou voor optie twee hebben gekozen.
Messi niet. Messi koos voor optie drie: de bal zonder te kijken naar de andere kant spelen, precies hard genoeg, precies tussen twee spelers van Lyon door, in de loop van de in galop aanstormende echtgenoot van Shakira. Die liep de bal zo in het lege doel. Die echtgenoot, bedoel ik.
Hè, maar er was toch helemaal geen optie drie?
Nee, die had Messi er zojuist aan toegevoegd. Want dat is wat hij doet: voortdurend nieuwe mogelijkheden scheppen, dingen doen waarvan je niet eens zeker weet of ze wel mogen, omdat niemand er ooit aan heeft gedacht ze in de spelregels op te nemen.
Op internet ging zijn naam gisteravond rond in combinatie met de emoji van een geit. Geit. Goat. GOAT. Greatest Of All Time. Een nogal armoeiige poging om genie in een plaatje te vatten, of in een slogan die vermoedelijk rechtstreeks van de Nike-tekentafel komt. Messi is inderdaad niet menselijk, maar om hem daarom dan maar te vergelijken met de Tom Beugelsdijk onder de kinderboerderijdieren vind ik een zwaktebod.

Andere, wiskundig onderlegde Messianen wapperen met dikke pakken statistieken, over aantal hattricks, aantal directe vrije trappen gescoord, aantal doelpunten tegen Betis Sevilla, aantal stiftjes bij halfvolle maan, enzovoort. Dit, roepen zij met overslaande stem, dit is het bewijs. Messi is de grootste!
Alsof er iets te vergelijken valt. Alsof zij eerder zoiets gezien hebben. Ik googelde vanochtend de naam ‘Messi’ en belandde bij een artikeltje van de regionale krant Tubantia van een paar jaar terug, Kop: ‘Tom Boere beter dan Messi.’ Dat was in de tijd dat Tom Boere, een spits met de brille van een zebravinkje en de draaicirkel van een bakfiets, het ene doelpunt na het andere maakte bij Top Oss. Het was natuurlijk grappig bedoeld, maar dat is wat statistieken met het onvatbare kunnen doen: ze snoeien iets unieks net zo lang bij tot het iets volkomen generieks is geworden.
Kortom: je moet niet vergelijken.
Je moet niet vergelijken.
Je moet niet verge-… Nou ja, even dan.

Over Cristiano Ronaldo wordt gezegd dat hij wedstrijden wint. Misschien meer dan Messi. Dat hij meer goals maakt, meer prijzen wint. Da’s vast waar. Messi daarentegen doet iets met het spel zoals we het dachten te kennen. Hij sleutelt eraan, verbetert het. Als voetbal bestond uit het eindeloos en zo zuiver mogelijk zingen van ‘Het is een nacht’, dan was Cristiano Guus Meeuwis en Tom Boere Frank Heinen. En Messi? Die zou, in een hoekje, Schuberts ‘Gute nacht’ zitten kwinkeleren – zoals Cruijff ooit ‘Here comes the night’ zong.

Cristiano is ongelofelijk goed. De beste, binnen de heersende menselijke normen. Cristiano wint wedstrijden, Messi wint het spel. Bij Cristiano is het om winnen te doen, en om de beste zijn. Een fantasieloze en daarom voor veel mensen herkenbare instelling. Veel mensen willen wat Ronaldo wil. Messi niet. Messi is met heel andere dingen bezig. Cristiano Ronaldo speelt twintig jaar achter elkaar zes uur per dag viool en geeft een foutloos concert waar mensen geïmponeerd voor applaudisseren. Messi wijst naar een Stradivarius en je huilt al. Er zit bijna iets verstrooids in de manier waarop hij voetbalt. Messi voetbalt om het voetballen, iets wat ingewikkeld te begrijpen is voor ons, mensen voor wie voetballen om te winnen al ingewikkeld zat is. Als Messi speelt, gaat er een ander luikje in je hoofd open, een luikje dat bij sport normaal gesproken gesloten blijft. Bij Cristiano zit in al zijn gedragingen iets diep menselijks, hij is een fanaat, een maniak, hij is feilbaar en de enige reden waarom hij elke ochtend opstaat, is om die feilbaarheid te lijf te gaan. Hij strijdt met alle middelen tegen zijn eigen menselijkheid. Messi niet. Messi strijdt niet. Vrij naar Nico Scheepmaker: Cristiano is de beste, Messi is beter.

Spoor van gelukzaligheid
Ik zag een selfie van een Nederlander die gisteravond in het stadion zat. ‘We waren erbij,’ twitterde hij. Misschien is het projectie, maar ik las er een diep geluk in, ontroering zelfs. Dat is wat Messi doet: hij trekt al bijna vijftien jaar lang een spoor van gelukzaligheid door de wereld. Tom Boere trekt al tien jaar lang een spoor van vernieling door strafschopgebieden. Ook niet mis, maar vernieling is nog geen geluk.
Het is misschien pathetisch om Messi dankbaar te zijn, want Messi speelt niet voor mijn geluk (hij schijnt mij niet eens te kennen), maar ik word nou eenmaal pathetisch als het over hem gaat. Na afloop van de wedstrijd tegen Betis zei hij: “Ik geloof niet dat ik ooit eerder door het publiek van de tegenstander ben toegezongen.”
Misschien is het goed om daar vandaag nog mee te beginnen. Niet alleen in stadions waar hij toevallig dat weekend rondzweeft, maar gewoon: overal. Zoals er bij droeve gebeurtenissen en overlijdens in alle stadions in stilte wordt gerouwd, zou er best een paar keer per jaar langs alle velden overal ter wereld een minuutje geapplaudisseerd mogen worden voor iets vrolijks, het feit dat Messi voetbalt. Van Doetinchem tot Kuala Lumpur en van Oss tot Nizjni Nowgorod: ‘Mèèèssi, Mèèèssi.’

Reageer op artikel:
‘Mèèèssi, Mèèèssi’
Sluiten