Spring naar de content

Désanne van Brederode: ‘Werken is de remedie tegen alles’

Désanne van Brederode (Utrecht, 1970) heeft een nieuwe roman geschreven, Wonderlamp genaamd. We spreken Van Brederode in de regentenzaal van haar appartementencomplex te Amsterdam-West.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Robbert van Rijswijk

Zeg, waar gaat uw roman over?
“Over verlies en het talent om te verlangen. Het verhaal speelt zich voor een groot deel af tijdens een reis die ik in oktober 2017 met mijn zoon maakte naar de Westelijke Jordaanoever. Daar ontmoetten we een man die zichzelf Aladdin noemt, een week lang onze gids zou worden, en dus ook één van de hoofdpersonen is van deze roman. Door mijn herinneringen aan die reis en aan Aladdin ben ik ervan overtuigd dat de mens niet alleen wordt gedefinieerd door wat hij heeft, maar juist ook door zijn dromen, en dat gemis en verlangen een realiteit op zich vormen.

“Zo worden de delen over de reis steeds afgewisseld met beschrijvingen van mijn eigen verlieservaringen, en de verlieservaringen van de Syriërs waarmee ik in Nederland omga (Van Brederode is sinds 2013 bestuurslid van Het Syrische Comité – RvR). Het leed van die gevluchte Syriërs uit zich onder meer in verlangen – naar hun huizen, de geuren van hun thuisland, hun oude vrienden. Daarmee vergeleken zijn mijn eigen verlieservaringen natuurlijk peanuts. Een vriend liet me vorig jaar een foto zien van tachtig in doeken gewikkelde lijken van zijn oude vrienden, buurjongens, en klasgenoten. Maar ik denk wel dat gedeeld leed en verlangen begrip en verbinding schept. In deze roman heb ik die verschillende verlieservaring met elkaar in gesprek gebracht – op een luchtige manier, want ik houd niet van jankboeken waarin iemand doet alsof zijn of haar eigen leed onmetelijk groot is.”

Welke verlieservaringen en verlangens heeft u?
“Ik ben sinds twee jaar ouderloos, wat op mijn leeftijd natuurlijk best normaal is, en ik ben een aantal jaar geleden gescheiden – van Arjan Peters (onder meer literatuurcriticus van de Volkskrant­ – RvR). Niet dat ik spijt heb van de scheiding, maar ik kan soms wel heimwee voelen naar vroeger. Dat vind ik overigens alleen maar mooi; het toont hoe dierbaar die tijd is geweest.”

Wat zijn de mooiste zinnen uit uw roman?
De geur van woestijn, jasmijn en sneeuw. Van bergen, bomen, bronnen. En in de nacht verschijnen ze, hierbuiten, in de diepte. Hier in de binnentuin.

Hoe snel schrijft u zo’n boek?
“Op 10 december 2018 ben ik begonnen met het uitschrijven van alle losse stukken die ik in de zes maanden daarvoor had geschreven, en op oudjaarsavond was het klaar. Mijn eerste boek schreef ik ook in een maand. Ik denk dat werken de remedie is tegen alles. Ik ben gewoon een workaholic, net een man.
Lachend: “Dat mag je tegenwoordig niet meer zeggen, hè?”

Hoe ziet een gemiddelde schrijfdag eruit?
“Ik begin rond een uur of tien ’s ochtends en met mijn verstand op nul ga ik dan door tot een uur of half drie ’s nachts. Ik rook op die schrijfdagen extra veel. Hoeveel? Zullen we dat maar tussen mij en God laten? Mensen vragen me weleens waarom ik nog steeds rook, want na je veertigste schijnt het pas echt schadelijk te worden.
Lachend: “Nou, ik moet wel, want ik heb geen pensioen opgebouwd, en roken is toch een soort langzame euthanasie.”

En wie zijn uw proeflezers?
“Ik laat Arjan natuurlijk nog steeds alles lezen. De liefde die wij delen voor literatuur, muziek, en kunst blijkt bestand tegen de pijnlijke gebeurtenissen en de scheiding die daarop volgde.
“Deze keer las hij het nog eerder dan mijn redacteur, omdat de roman dus ook over hem en die gebeurtenissen gaat. Bovendien, hij is toch de belangrijkste persoon in Nederland als het gaat om literatuur. De stukken die hij schrijft zijn zo goed. Laatst nog één over Alfred Birney, bij het lezen daarvan had ik de tranen in mijn ogen. Dus zijn mening doet ertoe.”

Doet Désanne van Brederode aan mythevorming?
“Dat valt wel mee. Toen ik debuteerde was ik daar veel meer mee bezig. Ik overschreeuwde mezelf en was arrogant. Ik vergaf mensen het gebruik van platitudes niet, bijvoorbeeld. Misschien speelde daarbij een rol – en dat is niet om hem de schuld te geven – dat ik mezelf staande moest zien te houden naast Arjan. Destijds zaten wij samen toch een beetje in onze ivoren toren.”

Wie zijn uw favoriete Nederlandstalige schrijvers?
“Jan Wolkers en Gerrit Achterberg.”

Welke schrijvers schaart u onder uw vrienden?
“Hans Münstermann en Peter Drehmanns, met hen zit ik al zeven jaar in een leesclub. Verder heb ik niet veel schrijversvrienden. Er zitten zo veel ego’s en lange tenen tussen. Vroeger dacht ik dat schrijvers zich juist in mensen inleven, maar dat blijken ze lang niet allemaal te doen. Ze kunnen zo aplomb rancuneus zijn. Onbegrijpelijk vind ik dat.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou u wel een precisiebombardement willen laten uitvoeren?
“Van een precisiebombardement gaat het niet komen, maar ik mis de literaire polemiek uit de tijd van mannen als Gerrit Komrij en Jeroen Brouwers wel. Dus ik zal niet kinderachtig zijn.
“Het wordt nogal moedig gevonden als mannelijke auteurs zonder zelfspot over hun emoties en jeugd schrijven of spreken. Zo word ik weleens dood- en doodmoe van schrijvers als Jan Siebelink. Het is een schat van een man, een charmante, lieve knuffel – echt waar. Maar het wordt soms wel erg sentimenteel. Als ík dat zou doen, en ik heb mijn tranen vrij los zitten, zou men zeggen: ‘God, daar hebben we die janktrut weer.’”
Lachend: “Maar bij Jan zie je al de vrouwtjes denken: ‘Ach, mag ík hem troosten, alsjeblieft?’
“Datzelfde heb ik met Arthur Japin en Huub Oosterhuis. Het zijn mannen die feilloos aanvoelen wat vrouwen in hun eigen huwelijk missen: kwetsbaarheid. Door de spirituele, goeroeachtige manier waarmee dat soort schrijvers zich presenteert, liggen zelfs vrouwen van ver in de zeventig in blinde verering aan hun voeten. Dat is leuk voor die mannen! Maar het verbaast me. Ik vraag me soms af of er niet met twee maten wordt gemeten als het gaat om emoties van mannen en vrouwen.”

Wonderlamp van Désanne van Brederode is vanaf 2 mei verkrijgbaar bij Uitgeverij Querido.

Désanne van Brederode