Spring naar de content
bron: ANP

Dat Grunberg een slechte minnaar is, maakt hem nog geen slechte kunstenaar

Aan het begin van mijn schrijverscarrière, zo’n decennium geleden, nam ik de nogal vreemde beslissing om niets van Arnon Grunberg te lezen. Deels uit hoogmoed, deels uit zelfbescherming – Grunberg was toen zo alomtegenwoordig in de letteren dat ik stellig wilde vermijden dat ik de zoveelste kloon zou worden. Niemand wil eindigen als Philip Huff.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Roderik Six

Voor de vorm sloeg ik ooit Tirza open en las de eerste zin: Jörgen Hofmeester staat in de keuken en snijdt tonijn voor het feest. ‘Mooie referentie naar Mrs. Dalloway,’ dacht ik bij mezelf, tevreden over mijn eigen slimmigheid, en sloeg het boek weer dicht.

Maar Grunberg bleek incontournable. Door zijn stortvloed aan romans en columns was het opgave om hem niét te lezen, dus veroverde ik regelmatig wel één van zijn schrijfsels, zij het altijd met een half oog. Zijn literair universum liet me koud en met tijd merkte ik hoe zijn impact verder afkoelde; zijn Voetnoot verdween van de voorpagina van de Volkskrant en zijn column in Humo, ooit een volledige pagina, werd weggemoffeld in een hoekje. Een eigen tijdschrift, gekoketteer met alter-ego’s, een rits bibliofiele uitgaven - het kwam over als krampachtige reanimatiepogingen, als kek gedoe dat weinig met literatuur te maken had.

Pijnlijk als je persoonlijke sores interessanter blijken dan je oeuvre.

Grunberg was een fabriekje geworden, en er raakte sleet op de kwaliteit van zijn bandwerk.

Daarom besteedde ik aanvankelijk weinig aandacht aan zijn liefdes-reeks in De Standaard. Sowieso heb ik weinig met ego-documenten, welbeschouwd een zwakte-gebod; het wijst op een gebrek aan verbeeldingskracht en weinigen beschikken over de stilistische brille om navelpluis boeiend in tekst te gieten. Dat er alsnog stennis ontstond over de reeks, zegt iets over de tanende almacht van Grunberg: blijkbaar veroorzaakt zijn privéleven meer ophef dan zijn zoveelste nieuwe roman. Pijnlijk als je persoonlijke sores interessanter blijken dan je oeuvre.

Toch was ik verrast door de vileine aanvallen en vooral de column van Loes Reijmer in De Volkskrant baart zorgen. Zij pleit onomwonden om de heilige muur tussen kunstenaar en kunstwerk te slopen: Grunberg is een eikel, dus mogen we zijn schrijfsels in de ban doen. Wie zich immoreel gedraagt, hoeft niet te klagen als zijn werk op de brandstapel terechtkomt.

Zie ook: Kevin Spacey, Woody Allen, Roman Polanski, Louis CK, Michael Jackson.

Zie straks ook: Nabokov, Hemingway, Céline.

Als ik die oefening voor mezelf maak, dan vrees ik het ergste. Wie mijn romans leest, zou moeten gaan geloven dat ik tijdens trio’s vrouwen met deegrollers verkracht, dat ik een kannibalistisch genoegen schep in het fileren en opvreten van schaamlippen, en dat ik standrechtelijke executies goedkeur. Gelukkig voor mij, en voor mijn ouders, begrijpen mijn lezers dat het hier om een fantasie gaat, dat het verzonnen personages zijn die zich schuldig maken aan dergelijke gruwel, en dat ikzelf meestal gewoon braaf thuis op de bank lig.

Wie mijn romans leest, zou moeten gaan geloven dat ik tijdens trio’s vrouwen met deegrollers verkracht.

En mocht ik ooit een misdaad begaan, en dan bedoel ik eentje waarvoor je écht veroordeeld wordt, door een echte rechtbank en niet door een volksjury van dertien twitteraars, zou mijn oeuvre dan plots dalen in artistieke waarde? Moeten mijn literaire prijzen dan terug naar afzender?

Hoeveel kunstwerken wil je op de schop, hoeveel boeken moeten uit de wereldbibliotheek worden verbannen? Gaan we teksten van Romeinse keizers in de hens steken omdat die ooit volledige volksstammen hebben uitgemoord?

Een kunstwerk veroordelen voor de misstappen van zijn schepper – zéér gevaarlijk.

Een kunstenaar veroordelen voor de aberraties in zijn oeuvre – net zo gevaarlijk.

Reijmer verwijst daarbij naar comédienne Hannah Gadsby die grappend het werk van alfamannetje Picasso afbreekt. Gadsby hekelt kunstsnobs die Picasso goed vinden puur omdát het Picasso is. Daar valt iets voor te zeggen, en je kunt Picasso in zijn persoonlijk leven homofobie en misogynie aanwrijven, maar niemand ijvert ervoor om zijn doeken te overkalken. Picasso was net als Goya een groot liefhebber van stierengevechten, maar ik ken geen enkele dierenrechtenactivist die ervoor pleit om hun odes aan de corrida te verbieden.

Natuurlijk mag je Picasso belachelijk maken – leve de vrije meningsuiting – maar aan zijn impact op de kunstgeschiedenis kan je onmogelijk tornen zonder jezelf belachelijk te maken.

Kunst is amoreel. Kunst moét amoreel zijn. Goede kunst komt net voort uit een onderzoek naar de donkere krochten van ons menselijk bestaan. Goede kunst is grensoverschrijdend, goede kunst flirt met taboes. Goede kunst daagt uit, doorprikt je cocon, bevraagt je waardensysteem. Goede kunst kan exhibitionistisch zijn, of net voyeuristisch.

Kunst die behaagt, kunst die omzichtig rond je o zo fragiele gevoelens trippelt, kunst die er alles aan doet om je teerhartig zieltje niet te kwetsen, wel, dat is geen kunst. Dat is entertainment.

Dus hoe wrang Grunberg’s teksten ook lezen, het zegt niets over Grunberg als persoon. En hoe oneerlijk hij zijn ex ook heeft bejegend, het zegt niets over de kwaliteit van zijn werk. Je hoeft zelfs geen fan te zijn om dat te begrijpen.