Spring naar de content
bron: anp

Het intieme alledaagse: de schilderijen van Johannes Vermeer

Zijn schilderijen zijn wereldberoemd, maar zijn levensloop is altijd schimmig gebleven. Wie was Johannes Vermeer nu eigenlijk en wat maakt zijn oeuvre zo speciaal? Een rondgang langs de Meester en zijn werk in 33 vragen en 32 antwoorden.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Erik Spaans

Dit artikel verscheen op 23 februari 1996 naar aanleiding van de grote Vermeer-tentoonstelling in het Mauritshuis.

Wat is er zo bijzonder aan die tentoonstelling in het Mauritshuis? 

Er zijn 23 schilderijen van Vermeer te zien, en dat is een record. Nooit eerder werden zoveel Vermeers bijeengebracht. De schilder heeft een klein oeuvre nagelaten, en zijn werk is min of meer gelijk over Europese en Amerikaanse musea verdeeld. Door praktische obstakels (vervoer, beveiliging, verzekering et cetera) werd het vrijwel onuitvoerbaar geacht een representatieve Vermeer-tentoonstelling samen te stellen. 

Hoeveel schilderijen heeft Vermeer gemaakt? 

In de catalogus worden 35 schilderijen aan hem toegeschreven. Op de tentoonstelling is ook een paneel te zien (Het meisje met de fluit) waarover de meningen verdeeld zijn. Verder worden er nog heel wat Vermeer-schilderijen in zeventiende-eeuwse documenten vermeld die sindsdien niet meer te voorschijn zijn gekomen. Het is lastig een inschatting van die ‘papieren schilderijen’ te maken. Betreft het authentieke Vermeers die verloren zijn gegaan? Of gaat het om de natte-vinger-toeschrijvingen van een onbetrouwbare notaris? In totaal zal Vermeer zo’n 40 à 45 schilderijen hebben gemaakt. De Amerikaanse econoom en historicus John Michael Montias denkt dat het er meer zijn en kwam op basis van ingewikkelde berekeningen op een aantal van 59,8 schilderijen. 

Abboneer op een lidmaadschap

Flinke korting op een digitaal jaarabonnement

Sluit nu voordelig een abonnement af en maak kennis met de journalistieke kracht van HP/De Tijd. (Op elk moment opzegbaar.)

Word abonnee

Werkte Vermeer nog in andere technieken? Zijn er etsen, aquarellen, tekeningen of gravures van hem bekend? 

Als hij al met potlood, etsnaald of burijn heeft gewerkt, is er in ieder geval niets meer van over. Hij móet — al was het maar als voorbereiding op het schilderen — wel hebben getekend, maar die schetsen zijn waarschijnlijk weggegooid. Dat Vermeer ooit grafiek heeft gemaakt is minder waarschijnlijk; daar zou — gezien oplage en verspreiding — toch iets van bewaard moeten zijn gebleven. 

Welke positie neemt Vermeer in tussen de andere grote namen uit de kunstgeschiedenis? 

Voor zover je zo’n rangorde kunt aanbrengen: naast Rembrandt. Menigeen stelt hem daar zelfs boven. Op een door Salvador Dali bedachte graadmeter — waarop Dali zichzelf overigens ook erg hoog inschatte — komt Vermeer helemaal bovenaan te staan. 

Bestaat er een Vermeer-publieksfavoriet? Is er van zijn hand een wereldberoemd stuk a la Nachtwacht of Mona Lisa aan te wijzen? 

Het melkmeisje, Het straatje en het Meisje met de parel zijn uitgegroeid tot archetypische sfeerplaatjes van het zeventiende-eeuwse Holland. Het Gezicht op Delft wordt wel als zijn chef d’oeuvre beschouwd. Maar dat is bij uitstek een schilderij dat je in het echt moet zien. Er blijft in reproduktie weinig van over. 

Is zijn werk dan niet geschikt voor wandtegeltjes, legpuzzels en koekblikken? 

Valt wel mee. Een soepfabrikant heeft eens advertenties gemaakt waarin Het melkmeisje erwtensoep staat op te scheppen. Maar toch is dat Vermeer iets minder overkomen dan andere kunstenaars. De cartoonist Opland, die regelmatig gebruik maakt van bekende zeventiende-eeuwse schilderijen, heeft in zijn spotprenten veel variaties op Rembrandt gemaakt. Met Vermeer kan hij niet veel beginnen. 

Wat is er eigenlijk zo bijzonder aan Vermeer? Hij schilderde goed beschouwd vrij onopvallende alledaagse tafereeltjes op klein formaat. 

Zijn kracht schuilt vooral in de manier waarop hij met het licht speelt. Hij verleent het alledaagse een mysterieuze glans. Hij weet met ogenschijnlijk saaie onderwerpen (vrouw leest brief, vrouw schrijft brief, man en vrouw drinken wijn) iets uit te drukken dat ver boven de voorstelling uitstijgt. Zijn schilderijen ademen een verstilde, melancholieke sfeer. Door een uitgekiende perspectiefwerking en het gebruik van repoussoirs (een tafel, stoel of gordijn op de voorgrond) geeft hij de toeschouwer het gevoel zèlf in de ruimte aanwezig te zijn. Zo wordt de museumbezoeker binnengelokt in de intimiteit van een zeventiende-eeuws vertrek. Je bent geneigd je adem in te houden om de concentratie van zo’n brieflezende vrouw niet te verstoren. 

Blijft Vermeer in vergelijking met de enorme aandacht voor Rembrandt niet nogal in de schaduw staan? 

Er is niet veel over het leven van Vermeer bekend. De kennismaking met Rembrandt kost minder moeite: op talloze zelfportretten is te zien hoe zijn uiterlijk in de loop der jaren verandert. De correspondentie die hij met Constantijn Huygens voerde, is bewaard gebleven en we kennen allerlei details over zijn huwelijk, zijn ruzies, zijn kinderen, zijn bezittingen, zijn atelier en zijn faillissement. Zelfs over het liefdesleven van Rembrandt valt in zeventiende-eeuwse bronnen aardig wat te lezen. De levensloop van Vermeer is veel schimmiger. We kunnen ons nauwelijks een voorstelling van hem maken. 

Wat is er dan wel over Vermeer bekend? 

Hij werd op 31 oktober 1632 in de Nieuwe Kerk te Delft gedoopt. Zijn ouders waren Reynier Jansz. Vos en Digna Balthazars. Zijn vader was ‘caffawercker’ (wever) en later ook herbergier en kunsthandelaar. Reynier Jansz. gebruikte halverwege de jaren twintig pas de achternaam Vos en noemde zichzelf in een document uit 1640 voor het eerst Vermeer. Zijn schilderende zoon moet zijn opgegroeid in een redelijk welvarend middenstandsmilieu. Op 20 april 1653 trouwde Johannes Vermeer te Delfland met Catharina Bolnes. Datzelfde jaar werd hij als ‘Meester Schilder’ ingeschreven in het Delftse Sint Lucasgilde. In navolging van zijn vader was hij ook als kunsthandelaar actief. Kort voor zijn huwelijk ging hij over tot het katholieke geloof, waarschijnlijk op aandringen van zijn schoonmoeder Maria Thins, die in de zogenaamde ‘Papenhoeck’ van Delft woont. Vermeer en zijn vrouw zouden later intrekken bij deze invloedrijke vrouw die — interessant! — een collectie schilderijen van caravaggistische Utrechtse meesters bezat. Documenten vermelden Vermeer in de jaren zestig als ‘hoofdman’ van het Lucasgilde en lid van de schutterij. Hoewel het echtpaar regelmatig een kind ten grave droeg, breidde het gezin zich snel uit. Bij zijn dood in 1675 liet Vermeer elf kinderen na. Hij was in zijn laatste levensjaren in grote financiële moeilijkheden gekomen en stierf in armoedige omstandigheden.

Vermeer voldoet dus wel aan het prototype van de kunstenaar die arm, miskend en vergeten overlijdt? 

Hij is in de loop van de achttiende en negentiende eeuw enigszins in vergetelheid geraakt. Zijn schilderijen werden wel toegeschreven aan Pieter de Hooch en Frans van Mieris. De herontdekking van Vermeer kan in belangrijke mate worden toegeschreven aan de Franse kunsthistoricus Thoré-Bürger die in 1866 een belangrijk artikel aan hem wijdde. Van miskenning in zijn eigen tijd kan geen sprake zijn geweest: Vermeer kreeg in ieder geval zeer hoge bedragen voor zijn schilderijen. Dat hij in behoeftige omstandigheden overleed, is toe te schrijven aan de economische recessie die hem in de jaren zeventig zwaar trof. De Republiek was weer eens in oorlog en de kunsthandel maakte slechte tijden door. In 1677 verklaarde Catharina Bolnes dat haar overleden echtgenoot: ‘geduyrende desen ruineusen en langh-deurichen oorloch niet alleenlijck van sijne kunst niet was hebbende kunnen vercopen maer oock tot sijne groote schade met de schilderijen van andere meesters daermede hij was handelende, sijnde blijven sitten’. In z’n algemeenheid kun je stellen dat er in de laatste veertig jaar van de Gouden Eeuw meer armoede geleden werd onder kunstenaars dan in de voorgaande decennia. Dat geldt in ieder geval voor Rembrandt, Vermeer en Frans Hals. Hoewel ze alle drie arm zijn gestorven, hebben ze óók lange perioden van welvaart gekend. 

Als zijn vader eerst Reynier Jansz. en later Reynier Jansz. Vos heette, waar komt de naam Vermeer dan vandaan? 

Er zit weinig lijn in zeventiende-eeuwse namen. Mensen werden naar hun vader, hun beroep, hun huis of hun woonplaats genoemd. Reynier Jansz. gebruikte de achternaam Vos vooral toen hij de herberg De Vliegende Vos uitbaatte. Bij zijn verhuizing naar een andere herberg in 1641 noemde hij zich Vermeer. Zijn zoon heeft die naam vervolgens op verschillende manieren gespeld In de loop der jaren is er sprake van: Meer, Vermeer, Ver Meer en Van der Meer, terwijl de voornaam beurtelings als Jan, Johannes of Ioannis wordt vermeld. Zulke spelvarianten zijn eerder regel dan uitzondering. Ze komen ook voor bij Rembrandt die in de loop van zijn carrière verschillende signaturen heeft gebruikt. Wie de schilder recht wil doen, zou hem eigenlijk Jan Vermeer van Delft moeten noemen. Zonder plaatsaanduiding leidde de naam Jan Vermeer tot grote onduidelijkheid: er waren twee andere schilders van die naam werkzaam in Haarlem en Utrecht. En als hij aan tafel geroepen werd, zal zijn vrouw hem niet bij zijn doopnaam Johannes hebben genoemd, maar gewoon Jan. 

Wie was de leermeester van Vermeer? 

Alweer zo’n vraag waarop kunsthistorici tot frustrerens toe hun tanden hebben stukgebeten. Van een leermeester is in eigentijdse bronnen niets overgeleverd. De veronderstelling dat Vermeer autodidact geweest zou kunnen zijn, hoeft nauwelijks serieus te worden genomen. Een enkele verdienstelijke dilettant daargelaten, leerde elke zeventiende-eeuwse schilder het vak van een oudere collega. Aannemelijk is dat Vermeer bij Leonaert Bramer (1596-1674) in de leer is geweest. Vast staat dat de schilders elkaar gekend hebben; Bramer was getuige bij het huwelijk van Vermeer. Vreemd is wel dat er geen stilistische verwantschap bestaat. De invloed van de meester zou toch in Vermeers werk te bespeuren moeten zijn? Interessant zijn archiefstukken die aantonen dat Vermeer contact heeft gehad met de uit Zwolle afkomstige genreschilder Gerard Terborgh. In 1653 ondertekenen ze samen een document. Hoewel Terborgh en Vermeer stilistisch wel wat gemeen hebben, kan een relatie leraar/leerling hier op praktische gronden worden uitgesloten. Waarschijnlijk heeft Vermeer de invloed ondergaan van Carel Fabritius, een briljante Rembrandt-leerling die zich in 1650 in Delft vestigde. Fabritius kwam in 1654 om het leven toen de ontploffing van het kruithuis een deel van de stad in puin legde. 

Was Vermeer nou echt zo’n eigenzinnige en volkomen geïsoleerde kunstenaar? 

Niet helemaal. Zijn werk vertoont onmiskenbaar verwantschap met dat van Pieter de Hooch (1629-1684), die zich in de jaren vijftig in Delft vestigde. Ze schilderden ongeveer dezelfde onderwerpen. Hoewel De Hooch het peil van zijn collega weleens weet te naderen, is zijn oeuvre wisselvalliger van kwaliteit Zijn figuren zijn soms wat houterig en hij mist bovenal de zachte, melancholieke lichtval van Vermeer. Men veronderstelt dat Vermeer en De Hooch elkaar wederzijds beïnvloed heb-ben. 

Was Vermeer als katholiek een buitenbeentje? 

Katholieken vormden een vrij grote minderheid in de Republiek. Het woord ‘schuilkerken’ heeft aanleiding gegeven tot het misverstand dat ze in het geheim bijeen moesten komen. In de praktijk werden ze met rust gelaten zolang ze hun geloof niet met al te veel vlagvertoon uitoefenden. Het zal voor een katholieke kunstenaar hooguit wat moeilijker zijn geweest opdrachten van het stadsbestuur los te krijgen. 

Beschikte Delft destijds over een levendig cultureel klimaat? 

Amsterdam was op kunstgebied veruit de belangrijkste stad. Daarna kwamen Utrecht, Den Haag, Leiden, Haarlem en Delft. De stad beschikte over een aanzienlijke schilderstraditie. Naast Vermeer, Bramer, Fabritius en De Hooch waren er tientallen andere kunstenaars werkzaam. Als kunsthandelaar en ‘hoofdman’ van het gilde moet Vermeer zijn schilderende stadgenoten goed hebben gekend. Hij werd als expert geraadpleegd in de geruchtmakende zaak van een kunsthandelaar die een partij Italiaanse kunst van twijfelachtige kwaliteit retour kreeg van het Brandenburgse hof. Zijn oordeel was vernietigend: ‘eenige groote vodden ende slechte schilderien’. 

Schilder en kunsthandelaar? Is dat geen merkwaardige combinatie? 

Integendeel: een kunstenaar die schilderijen uit eigen atelier verkocht, kon zijn broodwinning makkelijk aanvullen door ook werk van collega’s aan de man te brengen. Veel kunstenaars combineerden hun schilderswerkzaamheden met andere baantjes: Jacob van Ruysdael was arts, Aert van der Neer verdiende de kost als kastelein, anderen waren actief als wijnhandelaar, soldaat of ziekenverzorger voor de Oostindische Compagnie. 

Heeft Vermeer contact gehad met zijn tijdgenoot en plaatsgenoot Antonie van Leeuwenhoek? 

Dat Van Leeuwenhoek na de dood van Vermeer werd belast met de administratie van zijn nalatenschap heeft aanleiding gegeven tot speculaties. Het ligt voor de hand dat de kunstenaar en de wetenschapper elkaar binnen de kleine Delftse gemeenschap meer dan eens zijn tegengekomen. De kwestie is vooral interessant omdat Vermeer waarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van de camera obscura. Met dit optische apparaat — voorloper van het fototoestel—kon een voorstelling op een scherm of muur worden geprojecteerd. Halverwege de zeventiende eeuw werd het principe toegepast in een draagbare houten doos. Vermeer zal de camera obscura hebben benut om de werking van het licht te bestuderen en te zoeken naar interessante kadreringen voor zijn schilderijen. Het is een verleidelijke gedachte dat hij de nieuwe optische ontwikkelingen besprak met Van Leeuwenhoek. 

Had de tentoonstelling eigenlijk niet in Delft georganiseerd moeten worden? 

Daar bezitten ze geen enkel schilderij van Vermeer. Ook andere belangrijke Delftse schilders zijn overigens slecht vertegenwoordigd in de collectie van Het Prinsenhof. Het museum zou niet toegerust zijn op de grote toeloop. Wel wordt er een tentoonstelling rond de tijdgenoten van Vermeer gehouden en organiseert de VVV een Vermeer-wandeling. 

Is er in Delft nog wel iets te vinden dat aan Vermeer herinnert? 

Hij ligt begraven in de Oude Kerk. Het stadsprofiel komt nog altijd redelijk overeen met zijn Gezicht op Delft. De herberg Mechelen aan de Grote Markt waar Vermeer lang heeft gewoond, is aan het einde van de negentiende eeuw afgebroken. De huizen aan de Nieuwe Langendijk, waarop Het straatje mogelijk gebaseerd is, gingen recenter — in 1982 — plat. Een Vermeer-standbeeld is er niet: het zou een heel probleem worden dat te maken aangezien we niet weten hoe Vermeer eruit heeft gezien. Daarom heeft het Delftse gemeentebestuur maar een sculptuur van het Melkmeisje laten neerzetten. Overigens geldt datzelfde probleem voor Frans Hals, maar die is op basis van een twijfelachtig zelfportret toch maar mooi op het Nederlandse tienguldenbiljet terechtgekomen. 

Die schilderijen schijnen allemaal een dubbele betekenis te hebben. 

Veel zeventiende-eeuwse genretaferelen zou je ‘gelaagd’ kunnen noemen. Naast een voorstelling van de werkelijkheid wil-len ze nog weleens een zinnebeeldige betekenis bevatten; een vermanende verwijzing naar deugden, zonden of onhebbelijkheden. Het aanbieden van een vogel kan een erotische betekenis hebben. Het lezen van een brief kan verwijzen naar de liefde en door een vrouw een virginaal te laten bespelen laat de schilder ons weten dat ze maagd is.

Is dat speuren naar symbolen geen opgeklopte flauwekul? 

Momenteel is er sprake van iconologische richtingenstrijd die zich uitstrekt tot het werk van Vermeer. De vraag is of kunst-historici misschien iets te ver zijn doorgeslagen in het zoeken naar verborgen betekenissen. Dát er symboliek in de schilderijen van Vermeer is te vinden, staat evenwel vast. De schilderijen zijn geen rebussen. Met uitzondering van twee allegorische voorstellingen zijn ze opgezet als realistische taferelen. Symboliek voegt daar een betekenis aan toe die naar eigen believen door de toeschouwer kan worden opgepikt. 

Heeft Vermeer alleen maar genretaferelen geschilderd? 

Nee, het Gezicht op Delft en Het straatje — waarvan een pendant moet hebben bestaan — zijn bijvoorbeeld stadsgezichten. Verder heeft hij in zijn vroege jaren bijbelse en mythologische taferelen geschilderd. Op de tentoonstelling is een vroeg werk te zien dat nog niet zo lang aan Vermeer wordt toegeschreven: Sint Praxedis. De heilige wringt met het bloed van een onthoofde martelaar uit een doekje om het in een kruik te bewaren. Qua stijl, kleurgebruik en onderwerp staat het ver af van zijn latere stijl. 

Is er in de afgelopen jaren nog meer nieuw werk te voorschijn gekomen? 

In de catalogus worden een paar schilderijen die voorheen als ‘twijfelachtig’ te boek stonden aan Vermeer toegeschreven. Het is overigens allerminst ondenkbaar dat er nog meer Vermeers zullen opduiken. Voormalig Boymans-directeur Hannema (1895-1984) veronderstelde dat hij aan het begin van zijn carrière ‘ander’ werk geschilderd moest hebben. Hannema wees onder meer op de vele kindermonden die Vermeer had te voeden en meende dat de schilder ook weleens een portretopdracht zou hebben aangenomen. Hannema maakte zichzelf op gevorderde leeftijd belachelijk door tien (!) schilderijen in zijn eigen collectie aan Vermeer toe te schrijven. Van dat tiental kan alleen een groepsportret met een flinke scheut goede wil onder de twijfelgevallen worden opgenomen. 

Waarom werd Hannema niet serieus genomen? 

Vermeer was zijn obsessie. Naarmate Hannema ouder werd, begon hij overal Vermeer in te zien. Bovendien was uitgerekend hij degene die in 1937 voor 520.000 gulden de Emmausgangers voor museum Boymans aankocht, een schilderij dat na de oorlog als een vervalsing door Han van Meegeren werd ontmaskerd. 

Hoe is het toch mogelijk dat iedereen daar intrapte? 

Men voer blind op het kennerschap van enkele grote kunsthistorici. Kunstgeschiedenis was een betrekkelijk jonge wetenschappelijke discipline en aan het oordeel van de ‘grote kenners’ werd (nog) niet getornd. Bovendien had Van Meegeren slim ingespeeld op de bestaande literatuur over Vermeer. De kenners verbaasden zich erover dat er een ‘gat’ in zijn oeuvre bestond. De schilderijen van Van Meegeren pasten in die lacune. Ze vormden als het ware de missing link. 

Wat is die ontbrekende schakel in het oeuvre van Vermeer? 

Nadat hij halverwege de jaren vijftig een paar betrekkelijk onopvallende historie-stukken had geschilderd, waren daar opeens de rijpe, volwaardige, briljant geschilderde genretaferelen. Het ligt voor de hand dat daar schilderijen tussen gezeten hebben. 

Moet er een Vermeer Research Project worden opgericht? 

Dat zou nauwelijks zin hebben aangezien Vermeer geen atelier met vele, in zijn trant werkende leerlingen had. Bij Rembrandt is men bezig de gordiaanse knoop van de Meester en zijn navolgers te ontwarren. Vermeer heeft letterlijk geen school gemaakt. 

Geen leerlingen? Geen navolgers?!? 

Als hij al leerlingen had, zijn die er nooit in geslaagd de trant van hun meester te imiteren. Vermeer gebruikte een stippelende, welhaast pointillistische techniek en wist daarmee een ongeëvenaarde stof-uitdrukking te bereiken. Die hoge graad van perfectie is niet eenvoudig na te volgen. Daar komt nog bij dat zijn werk nauwelijks buiten Delft bekend was. Jacob Dissius, drukker aan de Grote Markt, bezat aan het einde van de zeventiende eeuw een collectie van 21 Vermeer-schilderijen. Kunstenaarsbiograaf Houbraken — verreweg de belangrijkste bron op het gebied van zeventiende-eeuwse Nederlandse kunst — weet maar weinig over Vermeer te vertellen. 

Is bekend waarom Vermeer zo weinig heeft geschilderd? 

Hij werkte in een nauwgezette, tijdrovende stijl die een vlotte produktie in de weg stond. Hij moet er heel lang over gedaan hebben om een schilderij te voltooien. 

Wat valt er in de catalogus te lezen? 

De eerste tachtig pagina’s worden ingenomen door een viertal essays. Daarin worden enkele kunsthistorische kwesties op scherp gesteld. Aannemelijk wordt gemaakt dat de dichter en staatsman Constantijn Huygens weleens bij Vermeer over de vloer moet zijn gekomen. Een theorie die veronderstelt dat de vermogende patriciër Pieter Claesz. van Ruijven de persoonlijke opdrachtgever of mecenas van Vermeer zou zijn geweest, wordt weerlegd. Aan de hand van röntgenopnamen wordt aangetoond dat Vermeer op enkele schilderijen details (een hond, een schilderij, een landkaart) heeft overschilderd om meer rust in zijn composities te brengen. Opmerkelijk is de geruisloze manier waarop drie schilderijen die in een standaardwerk uit 1987 nog vermeld stonden onder ‘Twijfelachtige toeschrijvingen’, nu zonder enige uitleg aan Vermeer worden toegeschreven. De catalogus lijkt daarmee de opvatting van Arthur Wheelock te weerspiegelen. Zijn collega en mede-auteur Albert Blankert rept in een bijzin nog altijd van ‘ruim dertig’ Vermeers. Daaruit valt op te maken dat hij die twijfelgevallen nog altijd niet erkent. 

Staat er nog onzin in de catalogus? 

Dat er 229 pagina’s gewijd worden aan een schilder waarover niet veel bekend is, leidt natuurlijk weleens tot zwakke plekken. Onevenredig groot is de aandacht voor de herkomst van de schilderijen. Mauritshuis-conservator Ben Broos berijdt zijn stokpaardje door de achtereenvolgende eigenaars van de schilderijen uitgebreid te beschrijven. Broos schroomt er daarbij niet voor zichzelf te herhalen. Hele paragrafen van zijn bijdrage komen verderop vrijwel letterlijk terug in het catalogus-gedeelte. Constateringen als: “Misschien vond Vermeer een een beperkte klandizie wel prettig”, getuigen van een gratuite vrijblijvendheid. Andere auteurs lopen weleens vast in gewichtigdoenerij. Zo maakt Arthur Wheelock zinnen als: “De studie van de optica heeft hem zeker geleid tot bepaalde Neo-platoonse ideeën over maat en harmonie van filosofen uit zijn tijd.” 

Hoe groot is de kans dat er nog eens een Vermeer op de markt komt? 

Dat zou dan een onbekend werk moeten zijn, want met uitzondering van Sint Praxedis zijn alle Vermeers in museaal bezit. Pogingen om die werken toch op de markt te brengen waren overigens talrijk: Vermeer is zeer geliefd onder kunstdieven. In het begin van de jaren zeventig werd De liefdesbrief uit het Rijksmuseum gestolen. De briefschrijvende vrouw uit de Ierse Beit-collectie trof in 1974 en 1986 hetzelfde lot. Deze werken keerden heelhuids terug. Alleen de diefstal van Musicerend trio uit het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston is nog altijd niet opgelost. 

Wat zou een goed genrestuk van Vermeer waard zijn als het ter veiling komt?  

(Vul hier een exorbitant bedrag naar keuze in.)