Spring naar de content

Het grote geheim van Catan-keizerin Annemiek van Vleuten ontrafeld

Frank Heinen heeft aanwijzingen dat Annemiek van Vleuten een uitzonderlijk normaal mens is, maar dat is moeilijk te rijmen met haar onvoorstelbare trainingsarbeid. In negen trainingsdagen meer dan 200 kilometer per dag fietsen? “Annemiek noemt dat ‘uit haar comfortzone trainen’. Zo noem ik het bouwen van een complete woonwijk in een weekend, in mijn eentje, ‘uit mijn comfortzone Legoën’.”

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Frank Heinen

Van alle Annemiek van Vleuten-trivia die ik in de loop der jaren heb verzameld – en waarmee ik hoge ogen gooi op Annemiek van Vleuten-quizmiddagen en Annemiek van Vleuten-congressen in binnen- en buitenland – ben ik zelf het meest enthousiast over Trivium 147 (afdeling ‘Fun Facts’): Annemiek van Vleuten is geboren in Vleuten. Dat maakt van haar dus, technisch gezien, Annemiek van Vleuten van Vleuten, een naam die begrijpelijkerwijs vaak wordt afgekort tot Annemiek van Vleuten.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Ik kom wel eens in Vleuten. Op de fiets, ook dat nog. Een normaal dorp, waar mensen elkaar toeknikken, een dorp met winkelkarretjes en een Chinees en opvallend veel lunchroomachtige zaken, een dorp waar rechts voorrang heeft en de huizen in keurige rijtjes naast elkaar gerangschikt staan, het ene huisnummer volgt het andere op in de ijzeren logica van het numerieke systeem.

Sinds ik weet dat Annemiek van Vleuten van Vleuten uit Vleuten komt, rijd ik er met andere ogen doorheen. Die doodnormale façade van zomaar een dorp waar je doorheen moet om in Utrecht te komen, een dorp met klaar-overs en een wekelijkse markt-met-loempiakraam en woonerven en een Blokker voor wie behoefte heeft aan een keukenrolhouder vervult me van een opwinding die normaal gesproken is voorbehouden aan mensen die opeens een magische wereld betreden, door een kleerkast of een konijnenhol. Een parallel universum dat op het oog zo ontzettend op het onze lijkt, maar waar tezelfdertijd het surreëele dagelijkse kost is.

In Vleuten is Annemiek van Vleuten van Vleuten geboren.

Vleuten, het Gotham City van de provincie Utrecht.

Sinds ik weet dat Annemiek van Vleuten van Vleuten uit Vleuten komt, rijd ik er met andere ogen doorheen.

Over Annemiek van Vleuten (van Vleuten) zwerven verschillende half-affe columns in mijn cloud. Elke keer dat zij iets wint, doet zij dat zo overweldigend dat je niet weet waar te beginnen. Bij Van Vleuten (geb. in Vleuten) doet zich het zelden opspelende probleem voor dat de woorden die haar prestaties het dichtst benaderen tegelijk afbreuk doen aan het gepresteerde zelf. Wielrennen bestaat bij de gratie van het gecreëerde heldendom, van schrijvers, journalisten, verslaggevers die de heldenverhalen aan elkaar doorvertellen en er elke keer weer een schepje bovenop doen. Ontsnappingen worden langer, ravijnen dieper, hittedagen ondraaglijker, versnellingen verschroeiender, ontberingen ontberiger. En altijd zijn er woorden, nieuwe details en verse adjectieven in protserproza om de ketting van de geschiedenis mee te smeren. Als het om wielrennen gaat, gaan woorden niet op.

Soms vind je ze niet onmiddellijk. Soms moet er iemand even voor naar het magazijn. Maar op zijn ze nooit.

En toen werd dit najaar Annemiek van Vleuten van Vleuten wereldkampioen. Voor succes zijn sowieso al minder woorden voorhanden dan voor falen, voor overmacht is de collectie zelfs ronduit beperkt. Op die momenten neemt de stukjesschrijver zijn toevlucht tot de lyriek, samen met al zijn collega’s. Woorden worden gedeeld, zinnen gerecycled, hele columns gekopieerd. Je moet wel. Op mensen als Annemiek van Vleuten – die in Yorkshire de hele dag (de HELE DAG) solo in de aanval reed, en geen moment verzwakte – is de taal niet berekend. Zo komt het dus dat ik al verschillende, uitzinnige columns over haar heb moeten staken, omdat ze voortdurend uit de grijpgrage tengels van mijn vocabularium demarreerde.

Ik heb Annemiek van Vleuten wel eens ontmoet. Ze oogde normaal. Erg vriendelijk. Maar ja, dat zeggen buren van seriemoordenaars ook vaak. ‘Hij zei altijd gedag.’ Jaja, dank je de koekoek, en dat gegil in zijn kelder dan? Uitzonderlijke mensen zien er alleen gewoontjes uit voor de slordige beschouwer. Wie beter kijkt, betrapt de gekte.

Dus besloot ik bij Annemiek van Vleuten zo goed mogelijk op te letten. Ik liep op haar af en stelde me voor. Ze antwoordde: ‘O, hallo. Annemiek.’

Ook aan de handdruk was weinig bijzonders af te lezen. Een hand als vele andere. Even overwoog ik de mogelijkheid dat dit niet Annemiek van Vleuten was, maar een vrouw die erg op haar leek en die Annemieks publieksoptredens overnam en handen schudde en vriendelijk gedag zei, terwijl de echte Annemiek ergens op een Canarisch eiland briesend met haar blote handen grote eiken in mootjes stond te hakken. Maar, dacht ik er direct achteraan, dat zou maar gedoe geven met haar whereabouts. Bovendien waren er meer aanwijzingen dat we hier te maken hadden met een uitzonderlijk normaal mens. Zo had ik kort voor die ontmoeting in een interview gelezen dat Annemiek van Vleuten graag spelletjesavonden met vrienden houdt. Mensen die spelletjesavonden met vrienden houden, zijn zelden bionische superhelden. Vaak zijn het mensen die wat vaker buiten zouden mogen komen, maar dat geldt dan weer niet voor Annemiek, die gistermiddag nog twitterde dat ze op weg was naar een Kolonisten van Catan-sessie in Groot-Ammers. Gewoner dan een Kolonisten-middag in Groot-Ammers is voor zover ik weet niet mogelijk. Wie op zondagmiddag naar Groot-Ammers fietst om er Kolonisten te gaan spelen (mét uitbreidingsset), die is Wereldkampioen Normaal, recordhouder op de alledaagsheidswattagemeter. De enig trekbare conclusie is dat we hier te maken hebben met een normale vrouw van midden dertig, die op de fiets transformeert in… ja, in wat eigenlijk?

Wat voor iemand duikt half januari op in een statistiekje van Velofacts, een statistiekje waaruit blijkt dat er sinds Kerstmis maar één renner meer heeft gefietst dan zij – en dat die ene renner de Tourwinnaar is, Egan Bernal, een erkende krankzinnige op het vlak van trainingen? Bernal zat sinds kerst op 2638 trainingskilometers, Van Vleuten op twee minder. In een artikel op de website In de Leiderstrui las ik dat Van Vleuten de hele maand december in Colombia trainde, en daarna in januari aanhaakte bij de mannen van haar ploeg Mitchelton-Scott, die rondscheurden in de buurt van de Etna. In negen trainingsdagen, becijferde In de Leiderstrui, haalde Van Vleuten bij de mannen een gemiddelde van meer dan 200 kilometer per dag. Annemiek noemt dat ‘uit haar comfortzone trainen’. Zo noem ik het bouwen van een complete woonwijk in een weekend, in mijn eentje, ‘uit mijn comfortzone Legoën’.

Wie kan zoiets? Wie doet die dingen? Niemand toch?

Er moest een truc zijn. Een Victor Mids-achtige illusie.

Die is er ook.

Op haar eigen website schreef Annemiek over haar onvoorstelbare trainingsarbeid en legde ze uit hoe zij een trainingsrit van 240 kilometer (aan de zijde van enkele van de beste mannelijke profs ter wereld) tot een goed einde bracht.

Dit is hem. De truc.

Let op.

Ze luncht halverwege.

Geniaal in zijn eenvoud. Door die lunch, zo verklaart Van Vleuten, breek je de training als het ware in tweeën. ‘Dat je dan denkt: tot de pauze is het 130 kilometer, en na de pauze is het tweede deel.’ Daarna bekent ze voor het gemak ook maar meteen dat ze beklimmingen zo opdeelt. Dus dat ze ergens omhoog rijdt met Chaves en Yates en Yates en dat ze dan denkt: ‘nog vier keer de Cauberg’. Maakt de inspanning behapbaar.

Uitzonderlijke mensen zien er alleen gewoontjes uit voor de slordige beschouwer. Wie beter kijkt, betrapt de gekte.

Ja. Hállo. Dát is me effe een partij valsspelen. Even de Cauberg hard opknallen, dat kunnen we allemáál wel. En 130 kilometer hebben we op een gekke dag ook wel eens bijeen gepeddeld. Opeens zag ik die solo van meer dan honderd kilometer op het WK in een ander, alledaags perspectief. Dat was gewoon Annemiek van Vleuten, die even doortrapte op weg naar de bakker, en dat dan 120 keer. Straks blijkt dat Tolstoj, toen-ie Oorlog en Vrede schreef, de boel opsplitste in elke dag een columpje. Lang niet zo episch als ik had gehoopt.

Ik keek nog eens naar dat staatje. 2.636 kilometer in dik twee weken. Het oogt onvoorstelbaar, maar bij nader inzien stelt het niet zo heel veel voor. Kwestie van vaak genoeg lunchen.