Spring naar de content
bron: anp

Het stuitende superioriteitsgevoel van Nederlanders

Ilja Leonard Pfeijffer is door onvoorziene familieomstandigheden een week terug in Leiden. Hij is verbijsterd over de nonchalance waarmee Nederlanders omgaan met de beperkingen en regels. “Nederland heeft nog heel wat te leren van andere landen.”

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Ilja Leonard Pfeijffer

Als supergaaf land, zoals onze premier dat zou uitdrukken, hebben we er vanzelfsprekend enige moeite mee om te leren van andere landen. We hebben er zelfs moeite mee om ons te realiseren dat er überhaupt iets zou kunnen zijn dat we nog moeten leren. We leven in het beste land van de wereld, een gidsland, dat anderen tot stralend voorbeeld strekt, en zelfs een pandemie die bij ons aanzienlijk rampzaliger verloopt dan in de ons omringende landen, kan ons niet van ons rotsvaste geloof brengen dat de hele wereld met terechte afgunst naar ons kijkt.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Het virus vindt een vruchtbare voedingsbodem in ons superioriteitscomplex. Het smult van onze verwaandheid en vermenigvuldigt zich lustig via de glanzend vette aërosolen van onze zelfingenomenheid.

Terwijl andere landen in Europa in het voorjaar tijdens de eerste golf overgingen tot een lockdown, deed het trotse en eigenwijze Nederland iets anders: geen lockdown maar een intelligente lockdown. Alleen al met de terminologie werden alle andere landen ter wereld minzaam gedegradeerd tot sukkels. Want die deden geen intelligente lockdown, maar een oliedomme lockdown. En dan gaan klagen over de economische schade. En dan, zoals bijvoorbeeld Italië, het handje ophouden voor financiële hulp. Terwijl het hun eigen schuld was met hun on-Nederlandse en daarmee vanzelfsprekend stompzinnige lockdowns. En het Nederlandse huishoudboekje was op orde. Ook daaraan konden de anderen een voorbeeld nemen. Als de hele wereld zich zou spiegelen aan de Hollandse superioriteit, zouden we in een betere wereld leven, zo concludeerden we hoofdschuddend. En van de weeromstuit verklaarden we onszelf immuun voor een tweede golf.

Die tweede golf kwam sneller dan verwacht en heeft Nederland hardhandig onderaan alle mondiale ranglijsten gekwakt. Nederland doet het inmiddels slechter dan het Brazilië van Bolsanaro. Maar raar genoeg heeft dit geen invloed op ons superioriteitsgevoel. Paradoxaal genoeg zien we onze voorbeeldfunctie alleen maar bevestigd door ons falen. We zijn een volwassen land met een volwassen democratie, zoals onze premier maar blijft herhalen, en daarom werken de anti-coronaregels bij ons nu eenmaal niet. We zien dat zelfs als ons sterke punt.

Om ons argument kracht bij te zetten, vergelijken we ons met Duitsland. Daar is het virus aanzienlijk beter onder controle dan bij ons, maar dat komt doordat die Duitsers een gehoorzaam, volgzaam en dociel volk zijn. Dat ze doen wat hun wordt gezegd, is zo’n beetje de kern van de hele Tweede Wereldoorlog. Je ziet het ook in het voetbal. Zij zijn gedisciplineerd en daardoor winnen zij altijd, maar wij zijn de morele winnaar, want eigenlijk hadden wij het verdiend om te winnen. Het is zoals in het beroemde liedje uit de tijd toen we nog maar met vijftien miljoen mensen waren op dit kleine stukje aarde: ons schrijf je niet de wetten voor, ons laat je in onze waarde.

Het virus vindt een vruchtbare voedingsbodem in ons superioriteitscomplex.

Wegens onvoorziene familieomstandigheden ben ik op het moment een week in Nederland. Afgelopen zaterdag zijn Stella en ik halsoverkop vanuit het veilige Italië ingevlogen in de rode zone van mijn vaderland. Vooral Stella is verbijsterd over de nonchalance waarmee mijn landgenoten omgaan met de beperkingen en regels. Ieder voor zich weet het beter dan het virus. Toen ik in de Spar-supermarkt op de Lange Mare in Leiden de zoveelste kaaskop met glunderende vanzelfsprekendheid zonder mondkapje zag winkelen, besloot ik hem aan te spreken.

‘Waarom draagt u geen mondkapje?’ vroeg ik.

‘Ik kom hier elke dag,’ zei hij.

‘Dat lijkt mij des te meer reden om wel een mondkapje te dragen,’ zei ik.

Hij zei dat hij niet bang was voor het virus.

‘Maar een mondkapje draagt u niet voor uzelf,’ zei ik.  ‘U moet dat doen om anderen te beschermen.’

‘Ik ben van mening dat ik geen gevaar vorm voor anderen,’ zei hij triomfantelijk.

‘En waar haalt u het waanidee vandaan,’ vroeg ik, ‘dat u het recht heeft om over deze kwestie een mening te hebben? Denkt u dat wij het virus gaan bedwingen als iedereen er net zoals u de hele tijd meningen op na loopt te houden? Waarom kunt u zich niet gewoon aan de regels houden?’

Het woedende betoog dat hij mij als antwoord gaf, moest ik onderbreken met de observatie dat veel praten een potentiële bron van besmetting vormt. Verontwaardigd hield hij zijn mond. Ik heb niet het idee dat hij door mijn interventie van mening is veranderd. Ik weet het wel zeker. Hij is alleen maar gesterkt in zijn eigen gelijk. Vandaag is hij weer lekker zonder mondkapje aan het winkelen, daar kunnen we rustig van uitgaan. En hij is geen complotdenker, geen aanhanger van Viruswaanzin, geen coronaontkenner en geen gevaarlijk doorgedraaide wappie – hij is gewoon een van die zeventien miljoen Nederlanders die er trots op zijn dat ze zogenaamd kritisch denken en er bijgevolg een eigen mening denken op na te kunnen houden.

Het lijkt maar niet tot Nederlanders door te dringen dat ze blijven volharden in kinderachtige eigenwijsheid, die oog in oog met de noodzaak om een pandemie te bedwingen een funeste uitwerking sorteert. Sterker nog: ze zijn er nog trots op ook.

Nederland heeft nog heel wat te leren van andere landen. In Italië hebben ze hun huishoudboekje misschien wat slechter op orde dan hier, maar in elk geval heerst er daar het besef dat de bestrijding van een pandemie een collectieve inspanning vergt en dat ieder individu een zware verantwoordelijkheid draagt voor de anderen. En bovenal is Italië gevrijwaard van het waanidee het beste land ter wereld te zijn dat niets te leren heeft. De ogen en oren staan open en er is elke dag bereidheid om lessen te trekken uit de ervaringen van andere landen, want het gaat momenteel vrij goed, maar het kan altijd beter.