Spring naar de content

Klap eens extra hard voor de renner die moet lossen

Wielrennen is een zwaar beroep, schrijft Frank Heinen. Een applaus langs de kant van de weg kan nét die bescheiden steun zijn waar een renner naar verlangt.

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Frank Heinen

Drie weken was ik op vakantie. Alles was zo prettig als het menselijkerwijs zo’n beetje worden kan. Toch controleerde ik af en toe, op momenten dat ik dacht niet betrapt te kunnen worden, mijn Twitter via haar telefoon – zelf heb ik een telefoon zonder internet, precies vanwege die neiging. Misschien, dacht ik, zat er wel iemand te genieten van een boek van me, of ontdekte net een nieuwe lezer een oud verhaal waar-ie me even mee wilde complimenteren. Je weet nooit.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Waarom deed ik dit? Waarom ging ik op het moment dat ik door de omstandigheden in mijn leven met een ovatie werd onthaald, op zoek naar een klein applausje van een wildvreemde? Wat voor gek huisde er eigenlijk in mij? In elk geval eentje die de vetste vissen wilde vangen, maar zijn hengel thuisliet.

Mijn beroep is, in tegenstelling tot dat van wielrenners, niet erg zwaar. Ik hoef niet geduwd te worden om huilend van ellende het eind van deze column te halen. Meestal huil ik tijdens het schrijven helemaal niet zo veel. 

Ik moest er de afgelopen dagen vaak aan denken, aan steun. Ik zag hoe Fabio Jakobsen een jaar na zijn doodsmak in Polen een rit in de Vuelta won, op een niveau waarvan hij nog maar een paar maanden geleden niet wist of hij er ooit nog zou terugkeren, ik zag hem videobellen met zijn grootvader (‘Hebbie-t gezien, opa?’) en ik dacht aan de steun die hij moet hebben ontvangen, aan het aantal mensen dat met hem méé won. Wielrennen is loodzwaar, het is momenteel in Spanje dik boven de veertig graden, de ene berg is nog steiler en puntiger dan de ander en soms staat er urenlang nauwelijks een mens langs de kant. De plukjes publiek die in de te doorkruisen nederzettingen zijn samengeklit, applaudisseren niet overdreven hard. Uit gêne waarschijnlijk, in een halfvolle theaterzaal klappen de mensen ook minder overtuigd dan in een uitverkochte bak, ook als ze het prachtig hebben gevonden.

Ik zag hoe Fabio Jakobsen een jaar na zijn doodsmak in Polen een rit in de Vuelta won, op een niveau waarvan hij nog maar een paar maanden geleden niet wist of hij er ooit nog zou terugkeren, ik zag hem videobellen met zijn grootvader (‘Hebbie-t gezien, opa?’) en ik dacht aan de steun die hij moet hebben ontvangen, aan het aantal mensen dat met hem méé won

Wielrenners weten welk vak ze hebben gekozen, ze worden– in de meeste gevallen – behoorlijk betaald en ze doen iets waarvan ze als kind al gedroomd hebben. Afgelopen week werd de Tour de l’Avenir verreden, met een peloton vol jonge wielrenners waarvan de meeste bijna prof zijn, en een enkeling al helemaal. Steeds doken dezelfde namen voor in de uitslag op, namen van de grootste talenten, zij die vast wel ergens onderdak komen, zij die de poort naar de verwezenlijking van hun eigen droom hebben opengewrikt en er elk moment doorheen kunnen stappen. Zoals voor de Spanjaard Ayuso, een supertalent, een Tourwinnaartje in de dop, die halverwege de koers hard ten val kwam en moest opgeven. Schouder kapot. Achttien is hij. Voor hetzelfde geld was hij zó ongelukkig gevallen dat hij invalide was geraakt, of erger, nog voor hij ook maar één keer aan de Tour had kunnen deelnemen. Hoeveel steun heb je nodig om dat soort risico’s elke dag opnieuw te nemen, hoeveel applausjes zijn voldoende brandstof voor één zo’n revalidatie, laat staan meerdere op een rij?

Wielrenners klagen zelden, maar af en toe schemert wanhoop of twijfel door in berichten vol verheugen en #zinin. In een interview voorafgaand aan deze Vuelta vroeg Steven Kruijswijk zich na allerhande tegenslag terloops af waar hij het allemaal voor deed. En Oliver Naesen verzekerde Wielerflits een paar dagen geleden dat hij zeker niet in de put zat, maar uit de rest van de tekst bleek ook niet dat hij mijlenver van die put verwijderd was. Het was allemaal niet afgrijselijk, maar het zat hem ook niet enorm mee.

Het is eenvoudig om te vergeten welke karrenvrachten tegenslag relatief jonge mensen die toevallig wielrenner zijn, moeten verwerken. Wie een willekeurige wielerkoers bekijkt en goed luistert, hoort hoe het lot de hoop van talloze mensen vertrapt. Met elke renner die het tempo niet kan volgen, gaat er iets stuk. Da’s inherent aan sport, zozeer zelfs, dat je bijna zou vergeten hoe hard zoiets kan aankomen. Het team van de renner die de Vuelta gaat winnen, Roglic, bestaat bijna in zijn geheel uit mensen die vóór hun dertigste meer moeilijkheden hebben overwonnen dan de gemiddelde persoon van vijftig die naar hen kijkt, om van de leider zelf, die gedesillusioneerd uit de Tour verdween en een paar weken later Olympisch goud haalde, maar te zwijgen. Zelf herpak ik me na een tegenslag pas na een periode van innig zelfmedelijden, maar ik ben dan ook geen Vuelta-winnaar, zelfs geen potentiële. Ik heb al steun nodig om een vrij ideale vakantiedag door te komen.

Het is eenvoudig om te vergeten welke karrenvrachten tegenslag relatief jonge mensen die toevallig wielrenner zijn, moeten verwerken

Vorige week plaatste Israel Cycling Academy een filmpje van twee fanatieke Sep Vanmarcke-fans, Frank Spiessens en Marleen Depraetere. Zij volgen Vanmarcke overal waar hij koerst met hun camper, zolang het in Europa is. Ze hangen een vlag uit, en zijn er elke dag bij. Sep zwaait als hij ze ziet staan. Frank en Marleen klappen voor iedereen, maar ze juichen voor één man, die dicht bij hen in de buurt woont. Je zou kunnen stellen dat je dan dus niet het hele continent hoeft af te rijden om hem in levenden lijve te zien, maar dat zou suggereren dat steun en liefde zich op het terrein van de ratio bevinden.

Vanmarcke rijdt deze Vuelta vooralsnog nauwelijks van voren, maar dat kan Frank en Marleen niets schelen. Hun steun is niet aan succes gebonden. In de ideale wereld zou elke renner zo’n echtpaar achter zich aan moeten hebben rijden, al was het maar om ze het zicht op het daarachter aansnellende noodlot tijdelijk te benemen. Maar gewoon eens naar een koers gaan en dan bij elke renner die passeert steeds een beetje harder gaan applaudisseren, tot de bezemwagen voorbij is, dat zou al enorm veel doen. Je weet nooit zeker of het helpt, maar ga er voor het gemak maar vanuit van wél. De kans dat er eentje bij rijdt die net enorm toe was aan je bescheiden steun, is honderd procent.