Spring naar de content
bron: nos

Tom Dumoulin en het niet-weten

Frank Heinen legt uit wat hem zo fascineert aan Tom Dumoulin. “‘Ik kom gewoon niet vooruit.’ Stilte. Nog eens: ‘Ik kom gewoon niet vooruit.’”

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Frank Heinen

Iemand vroeg: waarom fascineert die Dumoulin je toch zo?

Ik wist niet onmiddellijk een antwoord.

Wat onhandig was, want ik zat voor een microfoon. Of erachter, net hoe je het bekeek. Hoe dan ook: de boel werd opgenomen, er werd een antwoord verwacht. Ergens, aan de andere kant van de geluidsinstallatie, zaten er mensen te wachten op een verklaring waarom de ene sporter je koud laat en je je met de volgende zó identificeert dat het pathetisch wordt. Waarom je de ene renner beleefd aanmoedigt en de andere hartstochtelijk aanvuurt. Waarom de tegenspoed van de een van je afglijdt, terwijl je het je bij de ander buitensporig aantrekt.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Misschien komt het omdat Dumoulin zich openstelt. Omdat hij in staat is zijn twijfels te tonen en te verwoorden, en dat hij tegelijk zeker genoeg om zijn eigen onzekerheid te laten bestaan. Misschien heeft het te maken met de wijze waarop hij elke keer weer de voorsprong van zijn aangeboren talent ongedaan maakt met zijn aangeboren neiging om te twijfelen. Misschien heeft het te maken met de manier waarop hij zichzelf relativeert, eerst kleiner maakt dan het beeld dat anderen van hem hebben, en vervolgens: kleiner dan hoe groot hij werkelijk is. Tijdens corona vroeg Dumoulin zich af wat hij eigenlijk bijdroeg aan de wereld, op dagen waarop hij er op de fiets op uittrok, terwijl zijn vrouw dubbele diensten draaide in het ziekenhuis. Er zijn volgens mij best veel mensen geneigd zich soms iets dergelijks af te vragen, en daar is weinig mis mee – ook al zou het vermoedelijk meer opschieten zijn als mensen die niet geneigd zich iets dergelijks af te vragen zich eens iets dergelijks zouden afvragen – maar onder die mensen bevinden zich over het algemeen geen topsporters. De topsporter draagt niet bij. De topsporter is op zijn hoogst iemand aan wie bijgedragen wordt.

Twee weken teleurstellingen, tegenvallers en valse hoop hadden de laatste restjes energie en vertrouwen uit hem geperst

Tom Dumoulin weet meer dan de meeste van zijn tegenstanders. Helaas bestaat dat deel extra vooral uit de wetenschap dat hij alsnog bar weinig weet. 

Misschien lag er een antwoord besloten in zijn opgave van zaterdag, in dat moment dat de regen – niet voor het eerst in de laatste Dumoulin-jaren – onverwachts overging in drup. De verwachtingen waren al bijgesteld, elke dag ging de lat een sport lager. Eerst het klassement, daarna de ritten, daarna het helpen, daarna het uitrijden. Lukt het een niet, dan lukt misschien het ander.

De Giro, een ellendige limbodans.

Zaterdag stapte Dumoulin af. Op een kort fragmentje van de NOS zie je hoe hij (nummer 141) na de rit uit de ploegleidersauto (nummer 14) stapt en naar de ploegbus beent, helm in de hand.

Dan, vanachter de bus, vanuit de schaduw van een Turijns plantsoentje, duikt zijn vrouw op. Ze omhelzen elkaar, zij zegt wat, hij gebaart, verdwijnt in de bus, en zij blijft buiten achter. Er zijn weinig situaties te verzinnen waarop je niet graag je geliefde zou omhelzen in de schaduw van een Turijns park in mei, in de zon, aan het eind van een zonnige dag – maar dit was er één.

Even later verscheen Dumoulin voor de camera’s. Of althans: wat er van hem over was. Twee weken teleurstellingen, tegenvallers en valse hoop hadden de laatste restjes energie en vertrouwen uit hem geperst. Zijn haar zat plat, zijn wenkbrauwen hingen zwaar boven zijn ogen. Een menselijke tube waaraan je kunt zien dat er nog zat in zit, maar hoe je ook drukt: er komt niks uit.

‘Het is op,’ zei Dumoulin. ‘Het is leeg. Wat moe’k zeggen. Nee. Ja.’

Nee. Ja. Zozeer gedesoriënteerd door zijn eigen presteren was hij dat hij niet eens meer zeker wist of er iets ontkend of bevestigd moest worden. Dus deed hij maar beide, voor de zekerheid.

‘Ik kom gewoon niet vooruit.’ Stilte. Nog eens: ‘Ik kom gewoon niet vooruit’

En hij vertelde. Of het was meer dat de woorden hem uit de mond vielen, een voor een, met onregelmatige tussenpozen. Pas na een paar zinnen leek zijn eloquentie warmgedraaid, al bleef hij dingen herhalen, woorden, zinnetjes die niets verklaarden, en niet als excuus of uitleg konden dienen. Hij vertelde dat hij zichzelf twee weken lang – en wie weet hoeveel langer al – had proberen moed in te spreken, zichzelf en anderen had opgepept, zich had voorgenomen er het beste van te maken, ook als het beste eigenlijk voor niemand goed genoeg zou zijn.

‘Ik kom gewoon niet vooruit.’ Stilte. Nog eens: ‘Ik kom gewoon niet vooruit.’

‘En nu?’ vroeg verslaggever Han Kock aan de man tegenover hem, die met zijn hele wezen stond uit te stralen dat hij geen idee had over en nu. Het is ingewikkeld om uit te leggen hoe je doorgaat, als je net hebt moeten vaststellen dat doorgaan niet meer ging.

Om de journalist en de renner heen kwam de Turijnse zaterdagavond op gang. Fietsen, auto’s, scootertjes.

Tom Dumoulin keek ernaar, vanaf zijn kant van het hek.

‘Dat weet ik niet. Dit verwerken ja. Dat.’

Misschien zat in die uitwisseling iets van een verklaring. Het tergende niet-weten, dat zich ergens ophoudt tussen niet-kunnen-weten en niet-willen-weten, waar talloze mensen elke dag op stoten, het niet-weten dat als een mistbank het zicht belemmert op de weg recht vooruit, het niet-weten dat je zelden zo goed en pijnlijk en mooi en troostend kunt zien en horen als bij Dumoulin. Daarom fascineert-ie me zo.

(Denk ik. Zeker weten doe ik het niet.)