Rolling Stone achter de dijken

Nooit eerder hield een Nederlands popblad het zo lang vol als Oor. Maar het veertigjarige vlaggeschip van de vaderlandse popjournalistiek verkeert in zwaar weer – op een krimpende markt waar vele popbladen reeds voortijdig sneefden.

In een zeer rommelige en dus erg gezellige tweedehands platenzaak aan de Amsterdamse Prinsengracht – zo’n winkel waar het op zondagmiddagen altijd wemelt van shagrokende vijftigplussers die eindeloos over Cuby & The Blizzards keuvelen – kocht ik vorige zomer het allereerste, op 1 april 1971 gedateerde nummer van Muziekkrant Oor. Ik viste het krantje uit een kartonnen doos, en ik mocht het van de eigenaar, heus geen onbenul als het gaat om het beprijzen van popmemorabilia, hebben tegen betaling van één euro.

Ik zal hier over die aankoop verder niet heel dramatisch doen, maar een klein beetje gek was het natuurlijk wel. Want Oor is het vlaggeschip van de Nederlandse popjournalistiek, zoals Rolling Stone dat is in de Verenigde Staten en New Musical Express (NME) in Groot-Brittannië. Maar in Amerika of Groot-Brittannië zal het u niet overkomen dat u in een tweedehands platenzaak het allereerste nummer van Rolling Stone (9 november 1967) of NME (7 maart 1952) aantreft in een kartonnen doos. Als men daar een dergelijk relikwie in huis heeft, zal het op een zorgvuldig uitgekozen plek liggen uitgestald, verpakt in een plastic beschermhoes, en moet u rekenen op een aanschafprijs die kan oplopen tot boven de vierhonderd euro.

Komt dat doordat de oudpapierprijzen in de VS en Groot-Brittannië spectaculair verschillen van die in Nederland? Nee, natuurlijk niet. Het komt in essentie doordat popjournalistiek in Nederland altijd een heel andere status heeft gehad dan in de Anglo-Amerikaanse wereld. Keihard & swingend, het dezer dagen verschijnende boek van Oor-oprichter Barend Toet, geschreven ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van zijn geesteskind, staat vol met bewijzen om die stelling te onderbouwen. Op meeslepende wijze verhaalt Toet (1947) van de ‘jongensjaren’ van zijn muziekkrant, en wie bekend is met soortgelijke boeken over de ontstaansgeschiedenis van Rolling Stone of met Almost Famous (2000), de prachtige biopic van de legendarische Amerikaanse popjournalist Cameron Crowe, zal veel herkennen. Veel, maar niet alles – en juist daar zit ‘m de kneep.


Om met de overeenkomsten te beginnen: net als zijn Amerikaanse generatiegenoten die eind jaren zestig Rolling Stone op poten zetten en net als de Britse popscribenten die ongeveer tegelijkertijd NME en aartsrivaal Melody Maker naar een hoger niveau tilden, was de student en muziekliefhebber Toet vier decennia geleden bezield van een ideaal. Onder invloed van vooral Bob Dylan en The Beatles (Sgt. Pepper!) had popmuziek in de sixties hersens gekregen en was het een fenomeen geworden met meer dan alleen amusementswaarde. Zou dan ook niet de popjournalistiek hersens moeten krijgen? Bij het gros van de toenmalige popbladen (Muziek Expres, Muziek Parade, Popfoto) was je daarvoor aan het verkeerde adres – die bleven liever hun vaste puberpubliek bedienen met posters, songteksten, kwissen, paginalange fotoreportages en onbenullige interviews. En dus besloot Toet het, samen met paar medestanders, maar eens zelf te proberen. Het zestien pagina’s tellende resultaat lag, na de nodige aanloopproblemen, op 1 april 1971 voor de ‘introduktieprijs’ van 50 cent in de winkel en heette Muziekkrant Oor.

Dat het initiatief van Toet vrijwel naadloos aansloot bij de pogingen van zijn Amerikaanse en Britse collega’s om volwassen popjournalistiek te gaan bedrijven, resulteerde echter niet als vanzelf in een periodiek dat zich met die kwalitatief hoogstaande buitenlandse popbladen kon meten. Want daarvoor gebeurden er bij Oor toch echt té veel dingen die het oer-Hollandse predikaat ‘sneu’ verdienen. Neem het allereerste nummer. Bij Rolling Stone was dat in 1967 gelijk een klapper van jewelste: op de cover stond John Lennon, en wie verder bladerde kon kennisnemen van het eerste serieuze interview met de toenmalige Beatle, die maar liefst negen uur lang bleek te zijn ondervraagd. Op de cover van de allereerste Oor daarentegen prijkte een anonieme jongeman die – ook Toet kwam er pas te laat achter – er slechts op kon bogen de broer te zijn van fotograaf Lon van Keulen. De reden van die fotokeuze is tot op de dag van vandaag onduidelijk.


Wist Toet zich daarna te revancheren door alsnog Lennon of zijn andere grote held Bob Dylan aan een diepte-interview te onderwerpen? Nee, zo vertelt hij in Keihard & swingend, geen van beiden heeft hij ooit gesproken. Minstens zo saillant: dat Oor in het najaar van 1972 plots een verkoopsucces werd, was te danken aan een door redacteur Pim Oets bedacht ‘Nederpop-nummer’ waarbij een single van Peter Koelewijn werd weggeven. “We verkochten 15.000 exemplaren, de oplage was in één klap bijna verdubbeld en Muziekkrant Oor was economisch op het droge beland,” schrijft Toet. “Ik kon het nauwelijks geloven. Vanaf dat moment begon het blad gestaag te groeien.” Mooi natuurlijk, maar ter vergelijking: NME-lezers kregen in datzelfde jaar een single cadeau met voorproefjes van Exile on Main St., het magnum opus van The Rolling Stones. En terwijl Oor op de koffie ging bij de man die Kom van dat dak af had gecomponeerd, kon je in 1972 in Rolling Stone bloedstollendereportages lezen van Hunter S. Thompson, de roemruchte uitvinder van de Gonzo-journalistiek.

Dat het Oor, ook in latere jaren, altijd heeft ontbroken aan dat soort grote, flamboyante schrijvers, en dat, als we het wat breder trekken, de Nederlandse popjournalistiek nimmer een grote persoonlijkheid heeft voortgebracht: Toet geeft het in zijn boek grif toe en toont zich zelfs schuldbewust. “Ik heb Oor opgezet om zo’n schrijver te worden en het is jammer om nu te beseffen dat ik mijn beurt voorbij heb laten gaan.” Met instemming citeert hij Omar Muñoz Cremers, voormalig medewerker van het webzine KindaMuzik en twee generaties jonger dan Toet: “Om het in Amerikaans-Britse termen te vertalen: we hebben in Nederland nooit tegen een Lester Bangs, Richard Meltzer, Paul Morley of Nick Kent opgekeken. Iemand die zowel inspireert als gehaat wordt. Een Vader die ‘gedood’ moet worden en waar nieuwe generaties schrijvers mee worstelen en zo zelf tot grote hoogtes worden gebracht. De belangrijkste redenen hiervoor zijn, in het kort: het idee dat in Nederland die manier van schrijven niet snel geaccepteerd wordt door lezers en aan de andere kant het feit dat vanuit het schrijven te lang is neergekeken op popmuziek.”


Het belang van die analyse kan nauwelijks worden overschat, zo blijkt uit het vervolg van Toets boek. Want de tijden dat Oor 65.000 exemplaren wist weg te zetten van het jaarlijkse kerstnummer, zoals in 1976, hielden niet aan. De jaren tachtig – Toet had inmiddels emplooi gevonden als productdeveloper bij het Elsevier-concern, tevens de nieuwe eigenaar van zijn muziekkrant – verliepen al heel wat minder glorieus, en in het daaropvolgende decennium kwam de grote klap: dankzij de opmars van internet verloor Oor gaandeweg zijn monopolie als consumentengids voor de liefhebbers van ‘betere’ popmuziek. Een goede of slechte recensie in Oor – menig platenzaak kocht er vroeger op in – betekende nagenoeg niets meer. De muziekconsument zocht en vond voortaan zijn eigen weg, downloadde er lustig en meestal gratis op los en besloot dan zélf wat de moeite van het herbeluisteren waard was.

Dat functieverlies (dat de afgelopen tien jaar gepaard ging met een halvering van de Oor-oplage naar 15.000 exemplaren en een bijstelling van de verschijningsfrequentie van tweewekelijks naar maandelijks) had vermoedelijk kunnen worden gecompenseerd als het blad scribenten in huis had gehad van het on-Nederlandse kaliber waar Muñoz Cremers op doelde: journalisten die door hun schrijfstijl en persoonlijkheid het popschrijven-als-consumentengids kunnen overstijgen. Om nog één keer over de grens te kijken: bij Rolling Stone lopen zulke journalisten nog altijd wél rond, en de oplage van dat blad is de afgelopen jaren niet gehalveerd, zoals bij Oor, maar juist significant gegroeid, naar bijna anderhalf miljoen exemplaren. Dat het wel degelijk mogelijk is om ook in de 21ste eeuw succesvolle popbladen te maken, wordt tevens bewezen door de Britse maandbladen Mojo (oplage: 98.000), Q (95.000) en Uncut (76.000). Stuk voor stuk periodieken die hun lezers oneindig veel méér bieden dan Oor of de talrijke muzieksites op internet: gouden pennetjes, humor, lef, passie, creativiteit, raffinement.


En prachtige fotografie, zo hadden we er bijna aan toegevoegd. Maar juist op dat terrein kan Oor er prat op gaan lange tijd nooit de mindere te zijn geweest van de grote broers uit het buitenland. In eerste instantie dankzij huisfotograaf Gijsbert Hanekroot, maar natuurlijk vooral dankzij die ‘verlegen slungel met flaporen uit de Hoeksche Waard’ (dixit Toet) die met name in de late jaren zeventig en vroege jaren tachtig zijn stempel zou drukken op de fotografie in Oor: de inmiddels wereldberoemde Anton Corbijn.

Is dat voldoende om toch maar slingers en ballonnen op te hangen nu Oor veertig is geworden? Toet zegt zich, alles afwegend, ‘niet te schamen’ voor de prestaties van zijn muziekkrant, ‘want Oor heeft ongetwijfeld bijdragen tot de levendige, interessante en breed gedragen popcultuur die hier sinds de jaren zeventig is ontstaan’. Dat zijn misschien geen woorden die aansporen om direct (weer) abonnee te worden, maar ze roepen wel herinneringen wakker aan Oor-trofeeën als ’s lands eerste en enige Pop-encyclopedie (17 edities sinds 1977) en de Grote Prijs van Nederland, de langstlopende nationale muziekcompetitie (sinds 1983). En dan nog: geen enkel Nederlands popblad heeft ooit de veertig gehaald, en we moeten nog maar afwachten of dertigers als de Hitkrant (in 1977 als financieel appeltje voor de dorst opgericht door de directie van Oor) en het in metal en hardrock gespecialiseerde maandblad Aardschok (sinds 1980) dat huzarenstukje gaan herhalen. Want één ding is ondertussen wel bewezen: overleven kúnnen ze bij Oor. En die eigenschap springt extra in het oog als we bedenken hoeveel serieuze en minder serieuze popbladen er de afgelopen decennia wel niet zijn gesneuveld: Tuney Tunes, Hitwezen, Beatbox, Teenbeat, Kink, Pop Mix, Loeloe, Caramba, PTP, Popparade, Stic, Popbiz, Top 10 Popmagazine, Opscene, Provoke, Meltdown, Nr. 13, Rocksound, Bassic Groove Magazine, Dance Update, Slam, Roq, Watt, Samsonic en… de negen titels waaraan we u op de volgende pagina’s graag nog wat uitgebreider willen herinneren.


Of Peter Koelewijn ze had kunnen redden? Het is hoe dan ook te laat om dat nog te proberen.

Barend Toet: ‘Keihard & swingend – De jongensjaren van Muziekkrant Oor’. Boekerij. €19,95. Verschijnt op 29 maart.

Roelof Bouwman