De baas van Borssele

Over de kerncentrale in Borssele heb ik nooit zo ingezeten, totdat onlangs Jan van Cappelle, directeur van die centrale, voor het voetlicht trad.

Na de rampzalige gebeurtenissen in Japan benaderden verscheidene journalisten hem om te vragen of in Borssele hetzelfde kon gebeuren als in Fukushima.

Welnee, zei Van Cappelle. Zijn centrale was bestand tegen aardbevingen en vloedgolven. Slechts één nadeel zat eraan: hij was niet ‘vliegtuigproof’. Voor de camera van het Journaal legde Van Cappelle uit wat hij precies bedoelde. Wijzend op de witte koepel van zijn centrale zei hij: “Die bol houdt een groot vliegtuig niet tegen.”

Te hopen valt dat de Hofstadgroep die avond naar Al-Jazeera keek, en niet naar het Journaal. Vermoedelijk kreeg Van Cappelle direct na de uitzending een telefoontje uit Den Haag: waarom hij niet meteen met een pot verf op de koepel was geklommen om het als doelwit te markeren.

Twee dagen later was er van zo’n telefoontje niets te merken. Van Cappelle verscheen opnieuw in het Journaal, ditmaal om te verklaren dat híj en niet de overheid het in de kerncentrale voor het zeggen heeft, ook in het geval van een ramp. “De eindverantwoordelijkheid van de installatie ligt bij mij. Wat logisch is, want de minister realiseert zich heel goed dat ze daar minder van onze installatie weten dan wij.”

Van Cappelle zei ook nog iets over de ‘Fukushima Fifty’, de vijftig werknemers die in de zwaar beschadigde Japanse kerncentrale hun leven in de waagschaal stellen om Japan en de rest van de wereld voor een nucleaire ramp te behoeden. In zijn centrale zou Van Cappelle nooit zo’n groep laten ontstaan. “Mensen worden weggehaald bij een bepaalde stralingslimiet. Of ze willen of niet. Heldendom willen we gewoon niet hebben, dat heeft helemaal geen zin.”

Ik wilde meer weten van deze doortastende directeur, aan wiens exclusieve gezag Nederland in geval van een nucleaire ramp is overgeleverd. Vermoedelijk had hij een imposante loopbaan achter de rug; baas van een kerncentrale word je per slot van rekening niet zomaar.


Dat bleek wel mee te vallen. Na een studie aan de TU Delft, waar Van Cappelle zich binnen de vakgroep meet- en regeltechniek specialiseerde in modelvorming en simulatie, werkte hij een paar jaar bij de marine, om ‘diverse trainingssimulatoren’ te installeren of zoiets. Hij runde nog een tijdje een bedrijfje in diezelfde simulatoren, en ging toen in de Borsselse kerncentrale aan de slag.

Van Cappelle woont – nomen est omen – in het Zeeuwse dorp Kapelle, niet ver van zijn centrale, in een tamelijk riante woning in een keurige straat. Met adres en al staat hij in het telefoonboek; voor represailles en ontvoeringen is hij niet bevreesd.

Ik heb ontdekt dat Van Cappelle op volleybal zit. Hij speelt bij het tweede team van de plaatselijke vereniging, waar hij ook actief is als voorzitter. Apetrots was hij toen in het seizoen 2009 zowel heren 1 als dames 1 en dames 2 kampioen werden. “Het investeren in de jeugd heeft zijn vruchten afgeworpen,” zei hij tegen een reporter van de Provinciale Zeeuwse Courant.

In zijn vrije tijd draagt Van Cappelle een spijkerbroek en een iets te wijde blouse, zo is te zien op internetfoto’s van verschillende volleybalfeesten. Aan zijn riem hangt een zakje waar zijn mobiele telefoon in zit. Als je zijn designbril wegdenkt, lijkt Van Cappelle op Jaap de Hoop-Scheffer; het had zijn broer kunnen zijn.

Van Cappelle was een onopvallende man, Zeeuw onder de Zeeuwen. Buiten de driehoek Kloetinge-Wemeldinge-Hoedekenskerke had niemand ooit van hem gehoord. Aan die anonimiteit maakte een aardbeving tienduizend kilometer oostwaarts een einde. Nederland weet nu wie Jan van Cappelle werkelijk is.

import joris van casteren