‘Hij zal toch niet dood zijn?’

Begin november overleed acteur Rijk de Gooyer. In de jaren tachtig was hij medewerker van de Haagse Post. Hij beschreef er, met Eelke de Jong, de wederwaardigheden van Koos Tak, prototype van de sneue journalist. Vriend Maarten Spanjer doet De Gooyer uitgeleide.

‘Rijk, wat is jouw ideale manier van doodgaan?” vroeg ik enige jaren geleden, toen deze vraag nog niet pijnlijk voor hem was.

“Nou,” zei Rijk en hij ging er eens goed voor zitten, “het mooiste lijkt mij om er heel gluiperig tussenuit te knijpen. Dat mensen in het café ineens tegen elkaar zeggen: “Goh, zie jij die Rijk nog weleens? Nee, nou je het zegt, die heb ik al heel lang niet meer gezien. Hij zal toch niet dood zijn?” En dat ik dan allang gecremeerd ben. Hij gaf mij zijn gulle grijns. “En op mijn steen moet komen: “Hier ligt De Gooyer, hij kan niet dooier.”

Rijk hield zo veel van het leven dat hij het de moeite niet waard vond om aan zijn dood te veel aandacht te besteden. Ook was hij bang dat er te veel zogenaamde vrienden op zijn afscheid zouden afkomen, die het, ‘geheel in de geest van Rijk’ op een zuipen zouden zetten en erger nog, op zijn kosten.

Het laatste jaar, toen hij fysiek hard achteruitging, belde hij me regelmatig op met de vraag of ik wist of die en die was overleden. Dan noemde hij de naam van een bekende acteur of cabaretier van zijn generatie. Als ik hem antwoordde dat de persoon in kwestie nog in leven was, reageerde hij vol ongeloof, zelfs teleurstelling: “Meen je dat nou, die man was heel erg ziek. Die is toch dood?”

Maar soms mocht ik hem gelijk geven. “Ja Rijk, hij is inderdaad kortgeleden overleden.”

“Goh,” zei Rijk dan gerustgesteld, “wat erg voor die man.”

In zijn gevecht tegen de dood had hij er tenminste weer één overleefd.Op woensdag 2 november, de sterfdag van Theo van Gogh en de bekende wielrenner Gerrie Knetemann, moest zelfs Rijk de strijd staken. We hadden het nooit van hem gedacht. Rijk de Gooyer, daar was je mee opgegroeid, je wist niet beter dan dat hij er altijd al was geweest. Met natte haartjes en in je pyjamajasje voor de tv naar de Johnny & Rijk-show kijken. En later naar alle films en televisieseries waarin hij speelde. En dan mocht je ook nog eens zijn vriend zijn.


Na zijn eerste hersenbloeding reed ik met hem naar zijn goede vriendin Bonny Huf, die een huis aan de Loosdrechtse Plassen bezat, voor een uitgebreide lunch. Aan het einde van een vrolijke middag liep ik, Rijk ondersteunend, het paadje af naar mijn auto. Ineens schuifelde hij richting struikgewas en bleef daar met zijn rug naar me toe wijdbeens staan. Het damesgezelschap wandelde discreet door. Het duurde even, maar er gebeurde niets. Ineens klonk het benepen: “Maarten, kun je even helpen, ik kan hem niet vinden.”

Even later stond ik onhandig met mijn hand in Rijks broek te wurmen.

“Ik ook niet, Rijk,” riep ik ongedurig. Gek dat je juist op zulke precaire momenten ten prooi valt aan allerlei filosofische bespiegelingen. Ineens zag ik weer dat jongetje voor de televisie zitten, starend naar die verre helden. Die had nooit kunnen bedenken dat hij veertig jaar later met zijn hand in de broek van die ene televisiester bij een struik zou staan.

In het Rosa Spier Huis ontmoette die ene ster die andere voor de laatste keer. Een historisch moment. Het was ter gelegenheid van de presentatie van een boek over het leven van John Kraaijkamp. Rijk kwam net voor de zoveelste keer uit het ziekenhuis en had daar een ziekenhuisbacterie opgelopen. Hij zag er slecht uit. Voor hij het tehuis betrad was hij door een legertje persfotografen blindgeflitst. Verward vroeg hij naar zijn oude wederhelft. Kraaijkamp lag boven in bed, geheel onbewust van het circus dat beneden ter ere van hem was opgezet. In allerijl werd hij in een pak gehesen en door zijn zoon naar Rijk geleid.


“Wie is die man?” vroeg Kraaij, toen Rijk een broze hand uitstak. Hallo Dingle, waar is Dangle, schoot door mij heen.

“Dat is Rijk de Gooyer, pa,” antwoordde junior ongemakkelijk. Toen John zich weer naar Rijk wendde was deze al doorgelopen. De weinige omstanders waren getuige van het einde van een tijdperk.

In een mistig verleden werd Rijk eens door zijn goede vriend, de restaurateur Wim Wagenaar, na het beledigen van een van zijn beste klanten, het Lido uitgezet en in de Leidsekade gegooid. Daar heb je vrienden voor. Het was een heldere decembernacht en er lag een dunne laag ijs op het water. Wim had er onmiddellijk spijt van, maar Rijk kwam niet meer boven. Ten einde raad sprong hij ook het water in om Rijk te redden. Op dat moment kwam het hoofd van Rijk boven het ijs en klonk het opgewekt: “Koekoek.”

We zullen Rijk, de kleurrijkste man van Nederland, heel erg missen. En ik kan u verzekeren: er worden boven geen nieuwe De Gooyers meer gemaakt.

Nooit meer Rijk, nooit meer ‘Koekoek’.