Monumenten

De wielersport kent talloze gewijde plekken die heel alledaags lijken.

De afgelopen week was ik in Berlijn, om te verifiëren of de stad nog altijd dezelfde naargeestige indruk op mij zou maken als toen ik er drie jaar geleden voor het eerst was. Destijds bezocht ik een voetbalwedstrijd in het Olympiastadion, een megalomaan nazibouwwerk waar de geschiedenis zich om de tien meter aan de bezoeker opdringt. Daar kon ik alleen maar denken aan Jesse Owens en de Hitlergroet. De geschiedenis had de sport van het voortoneel verdreven. Dit keer viel Berlijn me enorm mee, vooral omdat ik het stadion links liet liggen.

Nee, dan het Piazza del Campo, dat reusachtige, schelpachtige plein midden in Siena. Hoe het afloopt richting ingang van de klokkentoren, en hoe het wordt omzoomd door oude, matig onderhouden huizen. Het mooist is het als het late middaglicht over de steentjes van het plein strijkt, terwijl de uitbaters van de talloze toeristenkraampjes hun handel voor de dag voor gezien houden en de bruinverbrande Nederlandse toeristen met een ijsje in hun hand terug naar hun auto’s sloffen.

Ik ken het Piazza del Campo alleen maar zo, in die zomervakantiedrukte. Een sportevenement zoals de palio (de Middeleeuwse paardenrace tussen de verschillende wijken) heb ik er nooit gezien en dat houd ik zo. Sport en culturele monumenten gaan niet samen. Ze verdienen allebei de eerste viool.

Toch wil de sport niets liever dan een plekje in het centrum van de wereld. Vooral in het wielrennen gaan ze er ver mee, en dan nog het verst in Italië. Natuurlijk, het land waar politiek entertainment is en entertainment politiek, waar sport cultuur is en cultuur sport, waar het postmodernisme zich ook buiten de kunsten manifesteert – juist in zo’n land kan de laatste rit van de nationale wielerwedstrijd (de Giro) eindigen voor de deur van het Colosseum. De wielrenners als de gladiatoren van vandaag, een tijdperk dat wij minder barbaars vermoeden dan het vorige, maar daarover in de verre toekomst meer.


Sinds een paar jaar is er de Strade Bianche, een spektakelrace die over de grindwegen (dat zijn die strade bianche) van Toscane trekt en waar de kanshebbers voor de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix voor het eerst sinds hun winterstop weer eens de benen kunnen strekken. Die wegen zijn eigenlijk niet geschikt voor wielrenners, maar dat is voor de organisatoren doorgaans geen reden om de wedstrijd er niet overheen te sturen. Integendeel.

Het was een schitterende wedstrijd, zaterdag. Je kon het in Toscane live lente zien worden, terwijl de renners zich van het ene pittoreske dorpje naar het volgende haastten. Zonder de massaal toegestroomde toeristen van de zomerperiode leek het Piazza del Campo op een uit de kluiten gegroeid Italiaans dorpsplein, waar verbaasde voorbijgangers halt hielden om de aankomst van winnaar Fabian Cancellara te kunnen meemaken, alvorens hun zaterdagmiddagwandelingetje voort te zetten in de richting van Gelateria La Costarella, met dat beroemde balkon dat over de piazza uitziet.

De sport was even te gast in een andere wereld. De gastheer had de organisatoren vast op het hart gedrukt om ‘te doen alsof ze thuis waren’, maar zo werkt dat niet. De sport moet haar eigen podium en haar eigen monumenten creëren.

De wielersport kent talloze monumenten, gewijde plekken die oppervlakkig bezien treurigmakende alledaagsheid ademen, maar die – wanneer opgenomen in een parkoers – plotseling beginnen te glanzen als de mooiste kunstwerken. In het voorjaar dat op het punt van beginnen staat, staan juist die monumenten op losse schroeven. De Muur van Geraardsbergen was al met harde hand uit de Ronde van Vlaanderen verwijderd om de commercie ter wille te zijn en nu lijkt ook het Bos van Wallers, het allervreselijkste keienstrookje in Parijs-Roubaix, eraan te moeten geloven. De keien in het bos zijn ‘te mossig’ en te gevaarlijk. Op de tweede zondag van april zal het doodstil zijn in het bos. Sportmonumenten zijn alleen monumentaal voor de sport.