Vriend & vijand in één

Uit hun bewondering of liefde voor elkaar zijn mooie teksten geboren, en uit hun ruzies misschien nog wel mooiere. Tien – vaak tumultueuze – vriendschappen tussen schrijvers.

Schrijvers staan niet bekend om hun warme, ongecompliceerde vriendschappen – en dat is maar goed ook. Gezelligheid, toewijding en wederzijds begrip leveren nu eenmaal minder levendige verhalen op dan afgunst, ongemak en slaande deuren. Het beroemde conflict tussen Martinus Nijhoff en E. Du Perron was een stuk minder gedenkwaardig geweest als de rivaliserende schrijvers het beschaafd hadden uitgepraat, om vervolgens arm in arm naar huis te lopen, in plaats van elkaar voor café-restaurant Américain een paar klappen te geven. Nou ja, klappen. “Nijhoff schijnt te krabben als hij vecht, althans ik merkte dat ik bloedde aan mijn bovenlip, waarvan hij een stukje vel had afgekrabt, maar het stond heel mooi, want er was althans een bloedzakdoek bij, die in de kronieken van ‘de kring’ wel zal uitdijen tot minstens 2 bloedneuzen,” schreef Du Perron later in een brief aan dichter A. Roland Holst.

Dat het CPNB het Boekenweekthema ‘Vriendschap en andere ongemakken’ heeft genoemd, is al met al geen slechte zet.

Voor de meeste schrijversvriendschappen geldt: hoe meer ongemak, hoe beter. In elk geval voor het publiek. Het werk staat natuurlijk altijd op de eerste plaats, en we mogen de auteurs nooit verwarren met hun personages, maar stiekem hopen we allemaal dat schrijvers, net als hun scheppingen, een interessante puinhoop van hun leven maken. Of er op zijn minst moeizame relaties op na houden.

Ze kunnen het wel, vriendschappen in stand houden. Zoals blijkt uit de meeste van deze tien voorbeelden. Maar ze zijn ook erg goed in vriendschappen laten ontsporen.


Ook daar is deze lijst een bewijs van.

Normale vrienden, dat wil zeggen vrienden die niet schrijven, lenen elkaar van alles. Boeken, platen, dvd’s, software, recepten. Enzovoort. Bevriende schrijvers doen dat ongetwijfeld ook, maar kunnen daarnaast nog iets uitwisselen waar normale vrienden nooit behoefte aan zullen hebben: personages.

Bret Easton Ellis en Jay McInerney waren in de jaren tachtig onderdeel van wat in de Amerikaanse pers met ‘the Brat Pack’ werd aangeduid. Hippe, jonge, belachelijk succesvolle schrijvers, die het New Yorkse clubcircuit onveilig maakten, een leven leidden vol fotomodellen en coke (twee dingen die elkaar niet bepaald uitsluiten), en daar zonder gne over schreven. McInerney en Ellis zijn niet alleen generatiegenoten en geestverwanten, maar ook zelfverklaarde goede vrienden – zulke goede vrienden dat Ellis zonder problemen Alison Poole kaapte, de hoofdpersoon uit McInerney’s Story Of My Life. Ellis liet haar opdraven in American Psycho, waar ze bijna vermoord werd door Patrick Bateman. En ze speelde een belangrijke rol in Ellis’ roman Glamorama.

Ook McInerney hergebruikte haar, jaren later, in het korte verhaal Penelope on the Pond, waarin Alison de ondergedoken minnares van een presidentskandidaat was (overigens net als Lisa Druck, McInerney’s ex-vriendin, die model stond voor Alison Poole – Druck had een affaire met de Democratische presidentskandidaat John Edwards en kreeg later zelfs een kind van hem).

Vooral de terugkeer van Alison Poole in McInerney’s werk was erg geslaagd. Eén vraag bleef onbeantwoord: wat nou als Ellis haar wél had laten vermoorden door Patrick Bateman?


In Woody Allens Midnight in Paris, waarvan het script vorige week met een Oscar werd beloond, kregen we er weer eens een aanstekelijk, zij het wat clichématig beeld van: de bruisende schrijvers- en kunstenaarsvriendschappen in het Parijs van de jaren twintig. Met als spilfiguren Hemingway en Fitzgerald – misschien wel de twee grootste Amerikaanse schrijvers van de twintigste eeuw, en zelfs als je dat ‘Amerikaanse’ zou weglaten, zou je niet eens een overdreven gewaagd standpunt innemen.

In A Moveable Feast, Hemingway’s postuum verschenen verslag van zijn leven in Parijs, wijdt hij een aantal hoofdstukken aan zijn band met Scott Fitzgerald. De ene onvergetelijke scène na de ander. Bijvoorbeeld als Fitzgerald de jongere Hemingway uitnodigt voor een Serieus Gesprek. Fitzgerald durft pas na een paar karaffen wijn zijn probleem uit te spreken: hij is bang dat hij te klein geschapen is, en nooit een vrouw gelukkig zal kunnen maken (een vermoeden dat hem werd ingefluisterd door zijn liefhebbende vrouw Zelda).

Hemingway neemt hem mee naar de wc, en informeert hem: ‘You are O.K. There’s nothing wrong with you.’ En: ‘It is not basically a question of the size in repose. (:) It’s the size that it becomes. It is also a question of angle.’

Een echte vriend, toch, die Ernest? Nou nee. Hemingway zet Fitzgerald neer als een zeurderige hypochonder, als een verwend papkindje, en – misschien wel de allergrootste zonde in Hemingway’s ogen: als een man die slecht tegen drank kan. Maar er is ook veel oprechte wederzijdse bewondering, en dat deze twee schrijvers elkaar literair advies gaven en zelfs elkaars manuscripten lazen en corrigeerden, blijft tot de verbeelding spreken.


Hemingway’s portret van Fitzgerald is treurig en komisch en lovend en buitengewoon vals. Roddelen op het allerhoogste niveau.

Vooral het verhaal van de laatste ontmoeting is treurig. Simon Carmiggelt belde bij Elsschot aan, in Antwerpen, werd door zijn vriend met ‘u’ aangesproken, en beleefd maar dwingend weggestuurd.

Met rancune of nijd had het nu eens niks te maken. Elsschot was net geopereerd en moest rusten. Twee dagen later overleed hij. Carmiggelt kreeg, weer een paar dagen daarna, een brief van Elsschot. De brief was geschreven één dag na Carmiggelts korte, onsuccesvolle bezoek. Elsschot verontschuldigde zich dat hij zijn vriend niet had herkend.

Carmiggelt schreef later een liefdevol boek, getiteld Ontmoetingen met Willem Elsschot. Het boek is veel meer dan de titel doet vermoeden. Het bevat, onder andere, allerlei brieven van Elsschot, de toespraak van Nijhoff bij Elsschots zeventigste verjaardag, een nagelaten hoofdstuk van een onvoltooide roman en twee schoolopstellen, die Elsschot had geschreven voor een kleinzoon. Handig, zo’n grootvader.

Het ergste dat twee schrijvers elkaar kunnen aandoen? Oké, er met de partner van de ander vandoorgaan is natuurlijk nooit leuk, maar beledigender is misschien wel wat Tolstoj zijn vriend en voorbeeld Toergenjev flikte: hij viel in slaap bij het lezen van Toergenjevs manuscript van Vaders en zonen. Auw.

Niet veel later zaten Toergenjev en Tolstoj aan het ontbijt bij een collega, klaar voor een jachtpartij (letterlijk, in de Russische natuur). Toergenjev en Tolstoj werkten elkaar op de zenuwen, kregen ruzie, en Toergenjev voelde zich zo beledigd dat hij – heel literair – uitriep: “Als je dat nog eens durft te zeggen sla ik je op je bek!”


“Het kwam tot een breuk, en bijna tot een duel,” schreef Karel van het Reve over deze episode. Het duurde jaren voor de schrijvers zich met elkaar verzoenden. Dat was in 1881. In 1883, op zijn sterfbed, schreef Toergenjev een brief aan Tolstoj, die inmiddels een halve godsdienstwaanzinnige was geworden. De brief bevatte Toergenjevs ‘laatste, oprechte verzoek’: “Mijn vriend, keer terug tot de literatuur! (:) Mijn vriend, grote schrijver van het Russische land, verhoor mijn bede!”

Tolstoj schreef daarna onder meer de verhalen De dood van Ivan Iljitsj en De Kreutzersonate.

“Wees gerust, ik ben uwe Vriendin; droog uwe tranen af; wees wel gemoed. Ik heb my, om u recht te doen, gestelt in uwe plaats; ik nam uwe geaartheid, uwe zwakheden, uwe deugden over; en ik zag, dat ik dan juist zo zoude gedaan hebben als gy deedt. (:) Dit eenige smeek ik u nog om onzer vriendschaps wille. ‘Leen geen geld van iemand uwer Huisgenoten; hebt gy het terstond nodig, zeg het my, ik zal ’t u bezorgen. Toon hier door, dat gy my acht, en u zelf wilt blyven.’ Hier ga ik gerust op af. Niemand doet u meerder recht, dan de voor u tederbezorgde Vriendin.”

Dit schrijft Mejuffrouw Anna Willis aan Mejuffrouw Sara Burgerhart, in Sara Burgerhart, het boek dat geldt als de eerste Nederlandse brievenroman, én de eerste Nederlandse moderne roman.

Betje Wolff (1738-1804) en Aagje Deken (1741-1804) begrepen wat vriendschap inhield. Dat bleek uit hun romans, en zo mogelijk nog meer uit hun persoonlijke levens. Na het overlijden van Wolffs man trokken ze in 1776 bij elkaar in. “Wij doen alles in compagnie, tot verzen maken in ’t kluis,” schreef Deken aan een vriend. Samen schreven ze liedjes en een paar romans en maakten een radicaal politiek tijdschrift, en ze bleven samenwonen tot aan Wolffs dood in 1804. Negen dagen later overleed ook Aagje Deken.


Het klinkt een beetje cru, maar in zekere zin heeft de zelfmoord van David Foster Wallace iets geweldigs opgeleverd.

De chronisch depressieve Wallace hing zich in 2008 op. Jonathan Franzen, al jaren een van Wallaces beste vrienden, was niet zozeer bedroefd als wel woedend. In plaats van zich terug te trekken, te rouwen en te peinzen over leven en dood, kanaliseerde hij zijn woede en zijn agressie door zich als een idioot op zijn werk te storten. Dat werk was Freedom. Een roman waar elk denkbaar superlatief al op is losgelaten – en terecht.

Natuurlijk kun je nooit met zekerheid zeggen of Freedom zonder Wallaces zelfmoord minder goed was geweest, en geen enkele roman, hoe geslaagd ook, is het leven van een goede vriend waard.

Maar Franzens manier om met de dood van Wallace om te gaan is misschien wel het beste, het enige juiste eerbetoon dat een schrijver een geliefde overleden schrijver kan bewijzen.

Eigenlijk is het een klein wonder dat de twee beroepsquerulanten het nog zo lang met elkaar hebben volgehouden. Ze leerden elkaar kennen in 1947, en pas in 1959 werd de vriendschap verbroken. Het duurde dus zo’n twaalf jaar. Dat is ongeveer elf jaar langer dan de gemiddelde vriendschappen van beide schrijvers.

Nadat Reve Hermans een paar keer om een bijdrage in Tirade had gevraagd, niks had teruggehoord, en bezorgd vroeg of hij misschien ‘in ongenade’ was, schreef Hermans hem een verhelderende brief: “(:) mijn tijd is niet onbegrensd. Daarom is in ongenade laten vallen wel het meest geschikte middel om van het gezeur af te komen. Dit overkomt jou dus bij dezen.”

In zijn antwoord sloeg Reve terug door Hermans te vousvoyeren (dat zal ‘m leren), en hem, jawel, de toegang tot zijn huis te ontzeggen (wat een beetje doet denken aan ontslag nemen nadat je werkgever heeft gezegd dat je contract niet wordt verlengd).


Reve kon het niet laten zijn oude vriend en literaire zielsverwant af en toe een plagerige brief te sturen. Bijvoorbeeld een verzoek voor een interview dat ‘alleen over seksualiteit, i.c. homoseksualiteit gaat’. En: “Zou jij ongunstig over het boek kunnen schrijven? Jouw aanvallen in geschrifte verhogen namelijk mijn debiet, merkwaardig genoeg.”

Hermans reageerde zelden. Op de enveloppen van Reves laatste brieven schreef hij dingen als: ‘maar niet beantwoorden’ en ‘niet ingaan op dit geseur [sic]’.

In hoeverre kun je spreken van vriendschap als één van de partijen de ander op een voetstuk plaatst? Of is die verering juist onmisbaar voor een geslaagde vriendschap? Charles Bukowski (1923-1994) schreef in zijn prachtige voorwoord bij Ask the Dust hoe hij in contact was gekomen met Fantes werk. Min of meer toevallig, eigenlijk. Op de vlucht voor zijn huisbazin bracht hij hele dagen in de bibliotheek door, waar hij lukraak boeken uit de kast trok. De ene teleurstelling na de ander, totdat hij op Fantes Ask the Dust stuitte – hij voelde zich ‘like a man who had found gold in the city dump’. Jaren later, toen hij zijn literaire idool qua succes en erkenning ver was voorbijgestreefd, was Bukowski verantwoordelijk voor de heruitgave van Fantes werk, en daardoor, indirect, voor Fantes grote doorbraak – die zo’n zestig jaar te laat kwam, maar toch.

De schrijvers werden vrienden, kwamen bij elkaar over de vloer, maar lang duurde het niet. Vlak nadat Fante nationale erkenning begon te krijgen, overleed hij, in 1983. Bukowski schreef een gedicht over de begrafenis, waarin hij Fante ‘een van de grootste schrijvers ooit’ noemde.


Misschien nog wel mooier is Bukowski’s gedicht ‘de wijn van altijd’ (the wine of forever, naar Fantes verhalenbundel The Wine of Youth), met daarin de regel:

John, jou te ontmoeten/zelfs de manier waarop het/ging was de gebeurtenis van mijn/leven.

Wat literaire output betreft zijn ze zo ongeveer elkaars tegenpool: bij leven publiceerde de notoire traagschrijver Flaubert (1821-1880) vier romans en één bundel vertellingen, uitgesmeerd over een schrijfcarrière van zo’n dertig jaar. Zijn jongere vriend en bewonderaar Guy de Maupassant (1850-1893) schreef in zo’n twaalf jaar tijd een dichtbundel, een paar reisboeken, zes romans en ruim driehonderd korte verhalen.

Wat literaire opvattingen betreft lagen ze dichter bij elkaar: Flauberts realistische, tot in de kleinste details perfect verzorgde romans, die zowel de menselijke zwaktes als de iets zeldzamere vlagen van goedheid verbeeldden, waren een grote inspiratiebron voor Maupassants verhalen en romans.

In meerdere opzichten was Flaubert een leermeester – en wat heb je aan een leermeester als je niet af en toe kan klagen over je overvolle seksleven?

Een paar weken terug recenseerde Anthony Lane in The New Yorker de film Shame, een drama over een seksverslaafde New Yorkse yup. Lane sloot zijn recensie af met een passend citaat uit een brief van Flaubert aan De Maupassant: “U klaagt dat neuken zo ‘monotoon’ is. Daarvoor bestaat een simpele remedie: ermee ophouden.”

Dat De Maupassant dit goedbedoelde advies ooit heeft opgevolgd lijkt onwaarschijnlijk.

Zelf heb je er weinig aan, maar voor je nabestaanden is het prettig: als je bevriend bent met een goede schrijver, krijg je met een beetje geluk een mooi In Memoriam.


John Updike, een van de meest productieve en veelzijdige Amerikaanse schrijvers van de afgelopen decennia, overleed in 2009.

Twee maanden later verscheen er in The New York Review of Books een uitgebreid stuk van Ian McEwan, over de man zelf, maar vooral over wat er echt toe deed: zijn werk.

Dat McEwan en Updike literaire verwantschap voelden, is weinig verbazingwekkend. Soms helpt het om literatuur met andere kunstvormen te vergelijken – zowel het werk van Updike als dat van McEwan doet vaak denken aan foto’s waarop zelfs het onbeduidendste detail haarscherp is vastgelegd. McEwan noemde het Updikes ‘ruthless recording eye’. Een omschrijving die net zo goed op hemzelf slaat.

‘A great writer cannot help showing us that there is something strangely comic, or antic, about the perfectly turned phrase’, schreef McEwan, ‘the precise insight into a human moment carries with it generosity and warmth, and prompts a smile of recognition.’

Hij liet er – terecht – geen twijfel over bestaan dat Updike tot die categorie ‘great writers’ behoort.

‘We have lived with the expectation of his new novel or story or essay so long, all our lives, that it does not seem possible that this flow of invention should suddenly cease. We are truly bereft, that this reticent, kindly man with the ferocious work ethic and superhuman facility will write for us no more.’

Ik vermoed dat elke schrijver zo’n reactie op zijn overlijden zou willen – godverdomme, nu kan hij niks meer voor ons schrijven.

Dries Muus