De belofte van zomeravondvoetbal

zomeravondvoetbal 1

Bijna alles kan ik verdragen. Het verdorren van gras, stervende zwanen, het hoekje reserves kan ik met droge ogen met een bal zien klooien. Daar ben ik werkelijk hard in. Maar een jong voetbalseizoen in juli, net gestart, slap nog, op vochtige veldjes, nee.

Het voetbal is een perpetuum mobile, zoals de seizoenen. Een eindeloze cyclus van altijd terugkerende elementen. Begin, midden, eind. En uit dat eind duikt steeds weer een begin op, de rups die zich tot vlinder ontpopt.

Er bestaat geen mooier voetbal dan zomeravondvoetbal. De avondlucht is vol belofte, de hamburgers spetteren in het vet en de vakantie lijkt eeuwig te duren. Hoog boven je trekt een vliegtuig vol vakantiegangers een witte streep door de zachtblauwe lucht.
Welkom in de lente van het voetbal: de zomer.

Het zijn de dagen van de rondreizende kermis. Betaald voetbal, nu ook bij u in de buurt!
De eredivisieclubs verblijven in de provincie om daar tegen de plaatselijke helden te spelen. Marketingdirecteuren rekenen gnuivend voor hoeveel die amateurs daar ieder jaar weer voor neer willen tellen, om tegen NEC of Roda te mogen spelen. Maar wat marketingdirecteurs niet weten: het gaat niet om geld. Niet écht.

Mijn club BFC (uit Bussum) speelde ooit zo’n seizoensvoorbereidingswedstrijd tegen FC Utrecht. De wedstrijd begon om half acht. De zon stond al laag. Boven het clubterrein hing de doordringende barbecuelucht die vanuit de omringende villatuinen als een rooksignaal omhoog kringelde.

Langs het veld hadden zich een paar honderd mensen verzameld, de meesten loom en roodbruin van een lange dag in de tuin of op het strand. Alle mannen dronken bier, alle vrouwen ook. De kinderen, nog net niet moegespeeld, zaten elkaar met halfvolle flesjes AA-drink in de hand achterna achter het doel.
Op het terras van de kantine stonden vijf mannen over een onwillige barbecue gebogen.
De kantinejuffrouw sjouwde af en aan met reusachtige bakken hamlappen.
Er was een VIP-tent waar iedereen in mocht.

Op het veld liepen de spelers van BFC en die van FC Utrecht zich warm. Wij, de jongetjes, staarden naar spelers die we alleen van televisie kenden, en vaak dat nog niet, want de belangrijkste spelers deden niet eens mee.

In onze handen klemden we inderhaast uit een schrijfblok gescheurde stukjes lijntjespapier en lekkende ballpoints. Allemaal hoopten we op een handtekening van Michael Mols.

Na de wedstrijd stroomden we als een acute rattenplaag het veld op. De profs (zo noemden wij ze) konden zich onmogelijk op tijd uit de voeten te maken. Minutenlang signeerden ze bierviltjes en losse velletjes papier. Sommigen zetten hun naam erbij, als een soort extra service. Ze signeerden en signeerden. De schemering begon te vallen. Op het terras werden de eerste hamlappen op de barbecue gelegd. In de VIP-tent gaf de voorzitter van FC Utrecht een rondje.

De kinderen verzamelden zich bij de spelersbus. Toen de spelers weer instapten, deelden ze high-fives uit.We klapten toen de bus langzaam achteruit het smalle laantje uitreed, weg van het complex.

Onze eerste elftalspelers schepten aan de bar op over acties die niemand gezien had. Handtekeningen werden geruild en vergeleken.
Het bier ging op.
De VIP-tent werd opgeborgen.
In de verte naderde het onweer.


Reacties zijn gesloten.