Ik mocht een boek schrijven omdat mijn foto in de krant stond

Een contract, dat krijg je niet zomaar, denken de mensen. De weg naar een uitgever is ondoorgrondelijk, opvallen tussen al die duizenden manuscripten bijna onmogelijk. Wanneer je ergens vertelt dat je een boek aan het schrijven bent, wensen de mensen je succes; hopelijk wil iemand het uitgeven.

Als je antwoordt dat je al een uitgever hebt, tref je vrijwel direct een blik vol respect aan op het gezicht van je gesprekspartner.

‘Zozo’, zal diegene er hoogstwaarschijnlijk aan toevoegen.
‘Toe maar.’

En: ‘Dan zal het dus wel een heel goed boek zijn.’

Je vertelt dat er nog helemaal geen boek is. En dat de uitgever daar ook niet echt in geïnteresseerd is. En dat hij bij jouw weten helemaal geen ingezonden manuscripten leest. Niemand die je verder kent heeft de uitgever een manuscript opgestuurd.

Ze zijn allemaal, net als jij, een keer uitgenodigd op kantoor. Omdat je eens een aardig stukje in een literair tijdschrift hebt gepubliceerd. Van mij had de uitgever niets gelezen. De uitgever had me gezien. Samen met de andere redacteuren van Propria Cures stond ik op de voorpagina van Het Parool. We waren geportretteerd, Propria Cures bestond 125 jaar. Er was niets gebeurd in de wereld, wij waren blijkbaar het nieuws van de dag.

Ik schaamde me toen ik de krant afrekende. Wij waren niemand. Waarom opende zo’n vooraanstaande krant met onbelangrijke figuren? De Wereld Draait Door schijnt naar aanleiding van die foto met onze redactie gebeld te hebben. De redactie van PC heeft weliswaar een telefoonnummer, maar de telefoon met dit nummer staat in een hok dat drie avonden per twee weken bemand is. DWDD vond vervolgens ergens het nummer van een oud-redacteur. Deze oud-redacteur zag bijna gebeuren wat hem nooit is overkomen in zijn tijd bij PC: na een foto in Het Parool een uitnodiging bij Matthijs aan tafel. DWDD werd afgewimpeld.

De uitnodiging van mijn toekomstige uitgever bereikte ons wel zonder problemen, per mail werd ik uitgenodigd eens langs te komen aan de Herengracht. Ik trok mijn mooiste zijden broek aan en deed mijn haren in een vlecht. Mai Spijkers liet me een kwartier wachten. Uiteindelijk werd ik ontboden. Ik mocht plaatsnemen aan de andere kant van zijn bureau. Ik kreeg zwarte thee aangeboden. Ik moest vertellen over mijn favoriete auteurs.

‘Campert’, zei ik. ‘Eigenlijk alles van Campert.’
‘Er is toch wel meer dan Campert?’ vroeg Mai Spijkers.

Voor mij was er op dat moment niet veel meer dan Remco Campert. Ik kreeg nog meer zwarte thee en moest mijn toekomstige uitgever vertellen wat mijn ouders deden. Of mijn moeder ook Indisch was, vroeg hij.

‘Mijn moeder komt uit Brabant’, zei ik tegen mijn toekomstige uitgever die zelf uit Goirle komt. Hopelijk zou hem dat ook welgevallen.

‘En haar broer werkt ook in het boekenvak.’

Ik noemde de naam van mijn oom en merkte dat mijn toekomstige uitgever nu een stoere houding aannam.
Hij liet me vervolgens een aantal foto’s van zijn kinderen zien.

‘Moet ik jou dan maar een contract aanbieden?, zei hij uiteindelijk.
Ik haalde mijn schouders op, al had ik van te voren over deze vraag nagedacht.
‘Ik heb van te voren over deze vraag nagedacht’, begon ik. Mijn toekomstige uitgever liet me mijn zin niet afmaken.

‘Dus jij ging er al van uit dat ik jou zou willen vastleggen?’ zei hij. Hij wachtte mijn antwoord niet af.
‘Dan zal het wel de moeite waard zijn wat je schrijft’, zei hij.

Als ik mijn adres even kon noteren zou hij een contract opsturen. Mijn voorschot stond volgens hem gelijk aan het voorschot van alle andere debutanten.

Toen mijn thee op was wenste hij me nog een goede dag. Een aantal dagen later ontving ik het standaardcontract dat ik ondertekende en terugstuurde. Er was geen champagne zoals ik me had voorgesteld. Maar dat had ik misschien ook niet verdiend. Ik had geen onbegaanbare wegen afgelegd. Zonder een letter op papier had ik een contract in mijn schoot geworpen gekregen.

Nu ook nog naar champagne verlangen zou niet passend zijn. Mijn uitgever verlangde nederigheid, nederig zou ik zijn.