Waarom proberen politici toch altijd grappig te doen?!

Het is levensgevaarlijk: humor gebruiken als politicus. Vraag het maar aan Jolande ‘stekkerdoos‘ Sap. Waarom dan toch die pogingen van politici om grappig te zijn, als het vooral glad ijs is waarop men zich begeeft? Natuurlijk, een goede grap (en een mislukte ook trouwens) wordt trending op Twitter en bepaalt waar de volgende dag over gesproken wordt bij de koffieautomaat, maar schiet je er ook electoraal wat mee op?

Of je er zetels mee kunt winnen is moeilijk vast te stellen, maar het belang van humor mag niet worden onderschat. Humor is meer dan ‘voor te lachen’. Zo worden er allerlei social cues mee afgegeven: een spreker kan met een grap (niet) gedeelde normen en waarden blootleggen en daarmee wat van zijn persoonlijkheid laten zien. In een wetenschappelijke studie naar het humorgebruik van Ronald Reagan –ja, die bestaat– wordt gesteld dat hij door zijn grapperij autoriteiten kon bekritiseren zonder zelf bot of negatief over te komen.

De wetenschappelijke humortheorie kent een onderscheid tussen twee belangrijke stromingen humor, als ‘uiting van superioriteit’ en als manier om ‘spanning te doorbreken’. De eerste werd al beschreven door de 17e eeuwse filosoof Thomas Hobbes, als vorm van humor waarin je de ander ridiculiseert, iemands anders tekortkomingen laat zien. De tweede is meer de door Reagan gebruikte vorm, die erom draait een negatieve sfeer te neutraliseren.

Republikeinse en Democratische humor
Met drie grote debatten achter de rug kunnen we presidentskandidaten Mitt Romney en Barack Obama langs de humoristische meetlat leggen. Over de vraag of de Republikein of de Democraat grappiger is, zijn dit jaar bovendien twee boeken verschenen van politicologen.

In Debatable Humor: Laughing Matters on the 2008 Presidential Primary Campaign onderzocht Patrick Stewart in hoeverre Democratische en Republikeinse kandidaten (in de voorverkiezingen van 2008) humor gebruikten. Uit zijn analyse blijkt de hoeveelheid guitigheid waarvan de Democraten en Republikeinen zich bedienen nauwelijks te verschillen, maar blijkt wel dat ze andere soorten humor gebruiken. Tot die conclusie komt ook Alison Dagnes in haar in vorige maand verschenen A Conservative walks into a bar: The Politics of Political Humor. Aanleiding voor het boek is de kritiek dat bijna alle humoristische nieuwsprogramma’s in de Verenigde Staten liberaal/progressief zijn en dat de conservatief op een koddig houtje moet bijten – een discussie die in wat andere vorm overigens ook in Nederland plaatsvindt. De redenering van Dagnes komt erop neer dat conservatieven vanwege hun behoudende karakter grappen over hun eigen normen en waarden niet kunnen waarderen, waarmee een belangrijke vorm van politieke satire afvalt.

Obama versus Romney
Terug naar Obama en Romney. De twee presidentskandidaten bleken, net als in de peilingen, ook aan elkaar gewaagd qua humor. Allebei wisten ze in één van de debatten met het toepassen van humoristische theorie het gesprek bij de koffieautomaat te bepalen. Het eerste debat was een prooi voor Mitt Romney. Iedereen zag dat hij energieker was dan Obama, maar de erop volgende dagen sprak Amerika toch vooral over Big Bird (Pino uit Sesamstraat):

Op Reagiaanse wijze wist Romney met Big Bird, nota bene op een publieke zender, de bezuinigen op de publieke omroep bespreekbaar te maken en de spanning weg te nemen.

In het derde debat was het Obama die zich van zijn geestigste kant liet zien, toen hij reageerde op Romney’s bewering dat de marine minder schepen had dan honderd jaar geleden:

Met zijn ‘we hebben ook minder paarden en bajonetten’, was Obama niet alleen de talk of the day, maar toonde hij zich bovenal superieur aan (de redenering van) Mitt Romney. De president maakte op cynische wijze duidelijk dat de Republikein niet snapte hoe de wereld in elkaar steekt.

En het tweede debat, vraagt u? Daarin was Mitt Romney goed voor de meest opvallende uitspraak, maar was hij vooral onbedoeld grappig. Zijn “I’ve got binders full of women” ging ongepland viral, maar dat Romney -vooraf neergezet als een stijve hark- heeft geprofiteerd van zijn humor moge duidelijk zijn.

Of hij ook de grappigste van de presidentskandidaten is? Wetenschappelijk onderbouwd of niet, dat blijft toch een kwestie van smaak.