Er is niks mis met topbeloningen, wel met onzakelijkheid

In 2011 was de bovengrens voor salarissen in de publieke sector € 193.000,-. In een dinsdag gepubliceerd rapport van het ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat 2600 medewerkers er boven zaten, ze kregen gemiddeld € 218.783,-. Toch lijkt het beleid in 2011 succesvol te zijn geweest, het was toen niet wettelijk onderbouwd en toch daalde de gemiddelde beloning, van een niveau van € 234.191,- in 2010.

Je mag in de (semi)publieke sector maximaal 130 procent van een ministerssalaris verdienen. Dat is in de volksmond de Balkenendenorm gaan heten. Ik vind die norm onzin, ik ben van het adagium if you pay peanuts, you get monkeys. Is € 193.000,- peanuts? Ja en nee. Want op dit moment is er ogenschijnlijk geen enkele relatie met de werkelijkheid van de zwaarte van de functie. Maar ook niet met de opdracht. Daarnaast is er best iets voor te zeggen dat werken voor de publieke zaak niet de hoofdprijs hoeft op te leveren. Maar op dit moment is het een hersenloze exercitie – de discussie over topbeloningen – die niet de beste mensen oplevert.

Zonder aandeelhouders word je minder snel weggestuurd
Laat ik wat voorbeelden noemen. Een secretaris-generaal op een ministerie kan – en zal – op deze manier méér dan zijn minister verdienen. Is dat redelijk? Ik zou zeggen dat het afhangt van het ministerie en zijn opdracht. Het ene ministerie is groter dan het ander, het ene krijgt taken opgelegd die speciale eisen stellen aan het management, het andere krijgt die taken niet. De secretaris-generaal is overigens wel degene die de tent leidt, de minister is een passant om niet te zeggen talking head. Een groot ministerie is vergelijkbaar met een kleine beursgenoteerde onderneming. Daar verdien je al snel het dubbele van de Balkenendenorm, oplopend tot zo maar één miljoen. De andere kant van de medaille is dat de aandeelhouders je elk moment kunnen wegsturen, dat zie ik met ambtenaren niet snel gebeuren.

Er wordt te weinig zakelijk gewerkt
Mijn stelling is dat er te weinig zakelijk wordt gewerkt bij het gros van die Overheidsinstellingen. Zaken die er in het bedrijfsleven toe doen – Hoe graag wil-ie de baan? Wat verdient-ie nu? Zijn er andere kandidaten? Hoe zwaar is de klus? – lijken niet aan de orde te komen.

Pervers
Ik geef een ander voorbeeld. De inmiddels gesneefde voorzitter van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) Mr Pieter Kalbfleisch was vice-president van de Haagse rechtbank. Die titel drukt maar ten dele de zwaarte van die functie uit want bij de meeste rechtbanken is een beetje rechter ook vice-president. Er zijn er heel veel van en de enige valide reden lijkt te zijn dat ze daarmee in de hoogste of bijna hoogste salarisschaal kunnen worden ingedeeld. Pervers? Dat dacht ik wel, maar het is volledig binnen de Balkenendenorm en dus deugt het. Het bruto jaarsalaris, per maand is ca. € 10.000,-, het jaarsalaris ligt rond de € 130.000,- inclusief vakantiegeld.

Laat ik Kalbfleisch karakteriseren als een ijdele, zeer ambitieuze en enigszins publiciteitsgeile man. Dat laatste baseer ik op mijn waarneming tijdens zijn ambtsperiode, van nogal wat aanwezigheid op pagina’s in De Telegraaf die over feestjes gaan.

Salarissprong van een paar honderd procent
Ontstaat er dan zoiets nieuws als de NMa, dan is Kalbfleisch je man. Hij krijgt aanzien en degenen die hem aanstelden vonden hem kennelijk geschikt voor de baan. Wat bezielt die mensen om hem € 480.000,- te laten kosten? Let wel: dat zijn de kosten inclusief werkgeverslasten en dergelijke, maar Kalbfleisch maakt in één klap een salarissprong van een paar honderd procent. Dat is pure onzakelijkheid, van € 130.000,- naar ruim € 300.000,- bruto voor iemand die graag wil en voor wie er geen vergelijkbare posities zijn.