Niet te missen niet-voetballers: Usain Bolt, Boris Johnson en De Grote Emiel Schelvis

In het tweede, voetbalseizoensafsluitende deel van ‘Top-3’s om in de gaten te houden’, aandacht voor een omvangrijke en door de serieuze voetbalpers vaak niet serieus genomen groep voetballers: zij die er werkelijk geen zak van kunnen.

Ik voetbal zelf nog steeds, als een zeemonster op de diepste bodem van de oceaan die het Nederlands voetbal is. Waar nauwelijks nog leven mogelijk is. Waar de noppen van ijzer zijn en de doelen van papier-maché. Waar ook op winterochtenden zomeravondvoetbal mogelijk is. En net als alle andere krukken die ik iedere zondagochtend weer aantref, kleumend op een veld, wachtend op de clubscheidsrechter die nog een kegel van de vorige avond heeft en zonder idee waarom je dit ook al weer ooit hebt gewild, wordt ook mijn voetbalverleden iedere week een beetje imposanter.

Onwillige knie of wankel enkeltje
Volwassen mannen hebben uiteindelijk allemaal bijna in het Nederlands Jeugdelftal gespeeld. Duizenden Messi’s zijn ons ontzegd door zoiets onnozels als een onwillige knie of een wankel enkeltje. O, wat waren we allemaal goed, ooit. En wat hadden we vreselijk goed kunnen worden, als het domme lot ons een beetje beter gezind was geweest. Misschien niet Oranje, maar toch zeker wel de Eredivisie.

(Ooit, in het jaar dat de laatste restjes latente hoop op een glanzende profloopbaan werden vervangen door de zekerheid dat ik om meerdere redenen volstrekt ongeschikt was voor een carrière in welke topsport dan ook, speelde ik met mijn B1-elftal tegen het in het Gooi beruchte Zuidvogels uit Huizen. Bij de tegenstander stonden twee jongens die twee of drie jaar jonger leken samen voorin. Eitje, dachten wij van BFC nog. Het werd 7-1, beide jongens scoorden drie keer. Hun namen waren Melvin Platje en Nordin Amrabat).

Volstrekte anonimiteit
Tegenwoordig ben ik blij dat niemand de behoefte voelt om naar mijn zondagochtendgestumper te komen kijken. Zelfs mijn vriendin, die ik over het algemeen tot mijn trouwste aanhangers mag rekenen, draait zich nog eens om wanneer ik op zondagochtend met mijn sporttas het pand verlaat.

Niet iedereen heeft echter het geluk dat zij in volstrekte anonimiteit hun gebrek aan talent kunnen botvieren op bal en tegenstandersbenen. Omdat ze ’s werelds snelste man zijn bijvoorbeeld, of burgemeester van Londen, of omdat hun teamgenoot Hugo Borst heet en een documentaire over hun zaalvoetbalteam maakt. En zo eindig je op het internet, voor de rest van je leven. Het ultieme bewijs dat het niks was, niks is en nooit wat zal worden.

Bolt, Boris en Emiel
Op 3: Usain Bolt. Snelste man ter wereld, solliciteert af en toe bij Manchester United. Als speler. ‘Show this to Alex Ferguson,’ zegt hij tegen de cameraman. Hopelijk hebben deze beelden Sir Alex nooit bereikt.

Op 2: Boris Johnson. Niet de snelste man ter wereld. Wel burgemeester van een wereldstad. Moet een burgemeester zich altijd aan de regels houden? Bij voorkeur wel. Geldt dit voorschrift ook in een voetbalwedstrijd met andere oude knakkers? Bij voorkeur niet.

Op 1: Emiel Schelvis. Voor altijd. Het vleesgeworden bewijs dat voetbalverstand en –talent niet in duopacks worden verkocht. Wie nog twijfelde of er in onkunde ontroering schuilgaat: Emiel geeft het antwoord.

(Bij het maken van deze filmpjes zijn, voor zover bekend, geen slachtoffers gevallen).